andere cantates voor de achtste zondag voor Pasen (Sexagesimae)

 bwv 18 gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt

bwv 181 leichtgesinnte Flattergeister


Reformator Luther zag in de oprukkende Turken een apocalyptische coalitie: ze spanden samen met de duivel (en met de Joden; daar hield Luther ook niet van) tegen de christenen. 

 

(Trouw, 1 juni 2005)


‘Bescherm ons Heer tegen de Turken en de Papen’. Hm, tja, het wordt gezegd. Maarten Luther (autheur van het koraal wat aan deze cantate ten grondslag ligt) heeft het duidelijk op de Turken en de Papen gemunt. De Teldec uitgave maakt voor de engelssprekende markt daar de volgende vertaling van


'And smite all them on evil bent'


Dat is niet mis. Maar misschien is dat wel de juiste vertaling om de sentimenten te verwoorden die in Luther’s tijd gangbaar zijn, want als we de details even weglaten, dan is dit een zeer ouderwetse, zeer militante ‘smijt-met-de-vijand-cantate’. Een voor ons ietwat oncomfortabele herinnering aan een stukje militante kerkhistorie. Niet voor de gevoelige ziel.


Deze hele cantate lijkt wel doortrokken te zijn van haat en paranoia. Maar ondanks die onplezierige kwalificaties is het hoogst indrukwekkend. Bach gebruikt in zijn orkestrale textuur gedurende deze tweede jaargang geen enkele trompet, nooit in een openingskoor, slechts één keer als ondersteuning van de cantus. Verrassend, want in zijn eerste jaargang en latere jaren is het wel vrij gewoon. Het koor heeft hier dan ook een agressie en een wreedheid die uniek is in deze periode en de trompet leidt hen daarbij. Een dergelijke chaos en alomtegenwoordig gevaar komen we niet vaak tegen. Waar het militaire karakter in een koor als bij BWV 111 georganiseerd, zelfs gedisciplineerd klinkt, hier zeker niet, hier is een waar pandemonium aan de gang. Ook is dit de enige cantate in de tweede jaargang die een ander koraal aan het eind gebruikt, alsof Bach zich realiseert dat een wending, een cesuur in de cantate met ditzelfde koraal onmogelijk zou zijn. In plaats daarvan presenteert hij dan het grote dubbelkoraal ‘Verleih uns Frieden, Gib unsern Fürst’n.


Cantate 126 is een hoogstaand werk met allerlei onprettige beweringen. Het is zo’n werk dat er eigenlijk om vraagt de tekst te veranderen voor een hedendaagse uitvoering, zeker als die in de kerk zal zijn. En toch wordt deze cantate gecomponeerd voor een feestdag, namelijk voor Dominica Sexagesimae. Deze valt in 1725 op 4 februari. De cantate is gebaseerd op een uitgebreide versie van de gelijknamige Luther hynmne waaruit de onbekende tekstschrijver, ongewijzigd, de eerste en de derde strofe heeft overgenomen plus de zesde en zevende. De resterende strofen worden geparafraseerd. 


Die oorlogszuchtige geest van de eerste strofe heeft Bach geïnspireerd tot het schrijven van echte strijdmuziek, gekarakteriseerd door agressieve anapeste ritme’s en die virtuose trompetpartij. Zowel de tenoraria, speciaal de uitbundige middensectie vol coloraturen die een echo vormen van de drang uit het openingskoor, als de bas aria, waar de extravagante tekst gevat is in een melodie die maar liefst twee octaven bestrijkt en razendsnelle dalingen in de continuo partij bevat, geven aan dat Bach op deze zondag niet alleen de beschikking heeft over een grandioze trompettist maar ook over eerste klas vocalisten. De tenor aria wordt net als in BWV 125 gevolgd door een arioso dat de zinnen uit het de hymne interpreteert in recitatieven. Ze worden beurtelings door alt en tenor gezongen, de koraalzinnen door beiden, welke stem invalt krijgt de koraalmelodie, de ander zingend in contrapunt. Het slotkoraal is eenvoudig maar mondt tenslotte uit in een rijk geharmoniseerd 'amen'.


De cantate is mooi. Het rommelige koper bij Harnoncourt wordt goedgemaakt door het koor. Hoog boven alles uit de sopraanpartij. Rilling moet je in dit geval niet naar luisteren. Maar hoe denken we over de uitvoering van Richter?

Maarten ‘t Hart:


"Basaria geweldig. 'Stürze zu Boden', luidt de tekst. Wie moeten er op de grond storten? De ongelovigen. Verderop wordt hun nog erger toegewenst. 'Lass sie den Abgrund plötzlich verschlingen.' Dat alles wil Bach laten horen, en in de uitvoering van Karl Richter met Dietrich Fischer-Dieskau wordt de luisteraar inderdaad tegen de grond gesmakt. Dit is één van de meest verbluffende woede-uitbarstingen van Bach."


Tot zover Maassluis. En ook in Groningen wordt de kwaliteit van deze cantate opgemerkt; de broers Euwe en Sybolt de Jong openen hier hun eerste cd mee. Een krachtige start.








>> naar bwv 127 Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott