andere cantates voor Maria Reiniging  bwv 82 ich habe genung!

 bwv 83 erfreute Zeit im neuen Bunde

bwv 200 bekennen will ich seinen Namen

bwv 125 mit Fried und Freud ich fahr dahin

bwv 157 ich lasse dich nicht, du segnest mich denn


Bach legt het reeds eerder door Buxtehude gebruikte koraal ten grondslag aan zijn koraalcantate voor het Mariafeest van vrijdag 2 februari. Let wel: Bachs koraalcantatejaargang geeft hem niet de gelegenheid om op oudere composities terug te vallen, dus zowel de zondag tevoren als die erna gaan nieuwe koraalcantates (BWV 92 en 126) in première! 


Het Mariafeest heet ook wel Maria Reiniging, aansluitend bij de joodse traditie die een kraamvrouw tot 40 dagen na de bevalling als onrein beschouwt, waarna zij zich met haar boreling in de tempel dient te vervoegen. En het heet ook wel Maria Lichtmis, de dag waarop de kaarsen worden gezegend, verwijzend naar de voor-christelijke lichtfeesten die de twee maal veertig dagen lange winternacht begrenzen: met St Maarten (11 november, 40 dagen vóór midwinter) gaan de kaarsen aan, op 2 februari (40 dagen na midwinter) kunnen ze weer uit.


Het evangelie voor dit Mariafeest is uiteraard het verhaal van Lucas 2:22-32 waartoe de lofzang van Simeon (‘Mit Fried und Freud’) behoort, maar de vraag blijft toch waarom we ons, nauwelijks 40 dagen na Jezus' geboorte al weer met de dood moeten bezighouden. Maar misschien hoeft dat ook niet. De traditie (ook die van Luther en Bach) heeft van Simeon weliswaar een oude man gemaakt die, blijkens zijn lofzang, tot sterven bereid is, maar er staat nergens dat dit ook zal gebeuren. Ook het Nunc dimittis aan het slot van de katholieke mis richt zich niet uitsluitend op degenen die binnenkort zullen komen te overlijden. Simeon was wellicht een man in de kracht van zijn leven die verklaart met Jezus het leven áán te kunnen.


Het openingskoor is in een 12/8 maat die altijd associaties geeft met een vredige, pastorale stemming. De vocale passages worden bijeengehouden door een doorgaande orkestbegeleiding met een thema van slechts zes noten, in feite een versierde opvulling van die markante kwintsprong waarmee de koraalmelodie begint. De toonsoort is die van de expressieve e-klein, die tot monumentale hoogten verheven opnieuw zal verschijnen in het openingskoor van de Matthäus Passion. Het koraal wordt gezongen door de sopranen in lange noten, ze worden begeleid door de lagere stemmen van het koor in een dichtgeweven imitatie, dat het serene - een treurzang gelijke- deel van het intrumentale thema in zich opgenomen heeft. Slechts twee maal onderbreekt Bach dit patroon: bij de woorden 'sanft und stillewaar alle stemmen in een zeer plotseling piano overgaan en waar het levendige ritme van het vocale deel plaats maakt voor een meer rustige maat. Het contrast met het hiernavolgende 'wie Gott mir verheissen hat' is dan des te overtuigender in relatie tot het voorgaande. Opnieuw leidt Bach het vocale deel naar meer rust nl. voor de finale regel van het koraal 'der Tod ist mein Schlaff worden'.


In het galante, wat Frans aandoende kwartet met fluit, hobo d´amore en continuo (2) maakt de alt, zoals gewoonlijk de prototypische gelovige, zich de woorden van Simeon eigen, en illustreert het moment dat zijn ogen zullen breken met een voortdurend gebroken vocale lijn. Als in (1) komt de beweeglijke zang bij herhaling tot stilstand op de zeer lage noten van ‘Sterben’Het dramatisch recitatief (3) van de bas wordt doorschoten met de rustgevende tekst en melodie van het koraal. Bach citeert hier de tweede strofe van de Lutherhymne waarop de cantate is gebaseerd (‘Das macht Christus, wahr' Gottes Sohn’) maar gebruikt het in de contekst van reflexie en commentaar, als een onderbreking van de koraalteksten (deze procedure wordt door sommige musicologen "chorale-troping" genoemd).


Na drie donkere, langzame en introverte delen breekt stralend licht door in de duisternis met het uitgelaten tenor/bas-duet, begeleid door een briljant violenpaar. Het ‘Es schallet’ echoot van de een naar de ander. In het secco-recitatief (5) van de alt maakt deze zich opnieuw, namens 'uns Menschen' de implikaties bewust van de koraaltekst voor ieders 'glaubige Gemüthe'. De cantate eindigt (6) met een eenvoudig vierstemmige harmonisering van het vierde en laatste vers van Luthers koraal.


Blijkbaar moet ik deze cantate vaker horen om de schoonheid ervan te ontdekken. Want mooi is het toch wel, vooral die twee mannen in dat 'stoere' duet. Maar veel enthousiaster is onze vaste deskundige uit Maassluis: 


“Het openingskoor ontluikt, net als het openingskoor van de Matthäus, uit het e-klein akkoord. Ook de maatsoort is dezelfde, en ook in andere opzichten is er grote verwandschap met het openingskoor van de Matthäus. En toch, hoe groot desondanks het verschil. Dit koor is strenger, grimmiger. Een fantastische compositie. Direkt na het openingskoor volgt een verbluffende altaria. Murray Young zegt daarover: 'Probably the most extraordinary aria that he ever composed'. Ongelofelijke dissonanten. Twintigste-eeuwse muziek (en er dan ook sprake van een opvallende verwantschap met het duet van moeder en dochter uit 'Das Buch mit sieben Siegeln' van Franz Schmidt). Wat een smart wordt hierin uitgezongen! Wat een verbijsterend aangrijpende aria!”


Ik vind deze aria pas mooi als ik hem hoor in de Lutherse Kerk. Het is zondagmiddag, het is januari 2007. Druilerig weer in deze veel te warme, herfstachtige winter en ik heb oorpijn. De alt Joseph Schlesinger vind ik tot op dit moment alleen aardig om te zien, maar nu, deze zondagmiddag ziet hij voor ‘t eerst kans om een ieder te beroeren met deze bijzondere, breed uitgesponnen aria. Het is mooi. 


Overigens Harnoncourt (en ook Gardiner en Herreweghe) zijn niet echt om voor warm te lopen; op cd moeten we bij Rilling zijn, m.n. voor het duet. 










de cantates de cantates de cantates de cantates cantates de