meer cantates voor de eerste zondag na epifanie (driekoningen)

bwv 32 liebster Jesu, mein Verlangen

bwv 154 mein liebster Jesus ist verloren



Cantate 124 is de laatste van zeven nieuwe cantates die Bach schrijft voor de periode van de twee weken tussen Kerstmis 1724 en 7 januari 1725, de eerste zondag na Epifanie (Driekoningen): achtereenvolgens de BWV-nummers 91 (25 december), 121 (26 december), 133 (27 december), 122 (31 december), 41 (1 januari), 123 (6 januari) en 124. Het moeten Bachs drukste weken in zijn drukste seizoen ooit zijn; hij is doende om - liefst binnen een jaar - voor alle ruim 60 zondagen van het kerkelijk jaar een cantate te componeren op basis van een voor die zondag voorgeschreven kerklied (koraal) volgens een volstrekt eigenzinnig model, waarbij hij niet op oudere composities kan terugvallen. De tekst van de hymne is ook bij cantate 124 slechts zijdelings verbonden met de evangelielezing. Het gaat deze zondag over de 12-jarige Jezus in de tempel. Hij is in debat met de schriftgeleerden en onvindbaar voor zijn bezorgde ouders waarbij hij dan zegt; ‘Ik moet mijn vaders zaken doen’. Het gaat in deze vertelling over het loslaten van het aardse om het spirituele te zoeken. Althans, zo wil de theologie het blijkbaar. Dit thema lijkt dan ook voor de tekstdichter oneindig veel interessanter dan dat hele verhaal over de kleine Jezus.


Elke barokcomponist zou proberen in deze paraphrase van het verhaal een daarmee corresponderende vertaling te vinden in muziek. Zo ook Bach. In het beginkoor vraagt de tekst ‘klettenweis an ihm zu kleben’ zijn bijzondere aandacht. Het instrumentale, levendig gepuncteerde voorspel rolt verder in curieuse stekelige trillers terwijl we in het koor bij de sopranen de cantus firmus horen waaronder de drie lage stemmen samensmelten in een unisono. Verder is het opvallend dat vrijwel onmiddelijk de oboe d’amore geintroduceert wordt in een concertante rol, nog voor de strijkers verschijnen, om ze vervolgens met de komst van het thema weer te overstemmen. Dit alles is een manier om losmaken en opnieuw vasthechten te verbeelden. 


Het openingskoor is verder nogal simpel net als de eerste aria waar in de stem, ook nu weer aangevuld wordt met de oboe d’amore en ermee concerteert. We horen in deze aria een voorbereiding op de ‘harten Todeschlag’ reeds in de prelude. Het is mooi hoe de emotie van het ‘Ich lasse meine Jesu nie’ vocaal verbeeld wordt terwijl tegelijkertijd de strijkers ‘Furcht und Schrecken’ uitdrukken. En we horen voortdurend drie-toons-intervallen (de duivel in de muziek) in de baspartij, te beginnen vanaf de tweede maat.


Het duet, slechts door de continuo begeleid, inspireert Bach middels het woord ‘vergnügen’ tot een menuet-achtig ritme. Hij symboliseert enerzijds ‘entziehe dich eilends’ door een stijgende coloratuur van de beide stemmen, en anderzijds het ‘wahre vergnügen’ in de hemel door een geregeld terugkerend dansend ritme. Ook de baslijn met steeds maar rijzende octaven verbeeld de opwaartse beweging en het vertrek uit het aardse bestaan. 


Daarna heeft het slotkoraal weer een wandelende baslijn die deze gedachte daarmee afrond. Immers, zo zegt de gelovige in de tekst, we zullen immer naast Hem lopen, waar Hij ook mag gaan. 


Commentaar van onze deskundige uit Maassluis: Een lieflijk openingskoor. De tenoraria met z'n heftige staccato begeleiding en z'n knappe hobomelodie (Seufzer na vier zestienden is prachtig) ontspringt aan de wonderlijke tekst 'Und wenn der harte Todesschlag'.


En onze deskundige uit Poortvliet: Deze cantate is geschikt voor een 'doorsnee-zondag'. 


De kleinschalige rauwheid van de Harnoncourt uitvoering vormt wel een heel groot contrast met de uitvoering van Richter. Die is dan ineens erg mooi. Maar het goud gaat deze keer naar Rilling waar Aldo Baldin werkelijk prachtig zingt. Goed, het is opera wat we horen, maar het mag toch wel een keer opera zijn.









de cantates de cantates de cantates de cantates cantates >> verder met cantate 3