meer cantates voor Tweede Kerstdag

bwv 40 darzu ist erschienen der Sohn Gottes

bwv 57 selig ist der Mann


Geschreven voor 2e kerstdag 1724 is dit een koraalcantate geschreven in de gebruikelijke vorm. Luther himself bewerkte en vertaalde deze Lathijnse hymne uit de vijfde eeuw getiteld ‘A solis ortu cardine’

 

Het nogal archaïsche openingskoor is een motet in een streng klassieke stijl en het ongewone ervan is dat het geen duidelijke toonsoort heeft; het houdt ergens het midden tussen E-klein en F-klein, aldus weerspiegelt het de ambivalentie in de melodie. Meer dan in enige andere cantate ruik je hier de primitieve wortels, een vroeg-Christelijke oorsprong voor deze tekst over desuver maecht van Israël’ genaamd Maria. Dat archaïsche karakter van het openingskoor lijkt perfect afgestemd op dat onbegrijpelijke mysterie van de incarnatie (d.i. de menswording van God in de gedaante van Jezus, inderdaad een mirakel).

 

Pas na de tenor-aria komen we met het recitatief in een majeure toonsoort terecht. Hier, in dat recitatief, wordt dan ook het wonder beschreven van die menswording, waarbij op het eind iets opmerkelijks plaatsvindt nl. in de zin 'um zu den Menschen sich mit wundervoller Art zu kehren'. Bij het woord ‘kehren’, is het moment aangebroken dat God neerdaalt en de menselijke gedaante aanneemt, en in de muziek horen we dan een last-minute-beweging richting C-majeur. Dat is de spil van deze hele cantate én de perfecte voorbereiding op de nu volgende bas-aria (4) met die nogal vet aangezette, Italiaanse strijkers; Johannes de Doper springt daar op van vreugde in de moederschoot (!) wanneer hij Jezus herkent. 

 

Bach’s gedachte voor deze cantate is het verbeelden van de transformatie van duisternis naar het licht, tonen hoe christenen de komst van God’s licht in de wereld vieren en hoe dat samenvalt met onze zonnewende. Maar ook wil hij het doel van Christus’ menswording benadrukken - immers - de mensheid is voorbestemd om deel te gaan uitmaken van het ‘hemelse engelenkoor’. Daarom volgt nu in dat korte recitatief (5) een sleutelrol voor de sopraan die de hoge B moet zien te treffen. Het is, in al zijn beknoptheid, een extreem krachtig stuk vooral als het in de laatste frase schijnbaar reikt naar de eeuwigheid door middel van een uitgebreid contrapuntisch melisma wat veel wegheeft van een auditie voor een 'engelenkoor'. De sopraan bij Gardiner doet dat op opzienbarende wijze maar nog treffender is wellicht Arleen Auger (bij Rilling) van wie ik meen te weten dat zij inmiddels deel uitmaakt van dat koor. 

 

Elke andere componist zou nu in de verleiding komen om hierna in enigerlei schitterende stratosferische textuur te eindigen, zo niet Bach. Door nu terug te keren naar de toonsoorten van het openingskoor en naar het gepolijste timbre van trombones en cornetto, vindt hij andere, meer subtiele manieren om een lucide slot te vinden. Uiteindelijk is het de hoop van de gelovige op de eeuwigheid die hier verklankt wordt, niet diens zekerheid. 

 

 

Wat een heerlijk stuk is dat daar bij Gardiner (op Archiv) die, wat hij zelf noemt, ‘Italianiserende bas-aria’. Het is echt - wat Maarten zo gruwelijk vindt - een dans. Ook Fischer-Dieskau in die ouderwets, theatrale uitvoering van Richter is prachtig.

 

‘Johannis freudenvolles Springen’

 

Het is een topstuk. Ik zou het graag via You Tube met u delen, maar helaas, het komt daar niet in voor. 

 

 

De volgende cantate vindt U hier. Het is 'Ich freue mich in dir' BWV 133.