Monogram Johann Sebastian Bach







Gecomponeerd ter gelegenheid van de installatie van de nieuwe gemeenteraad van Leipzig (mogelijk in 1729). De onbekende tekstdichter van deze cantatetekst neemt psalm 65 als uitgangspunt:


U komt de lof toe, God die woont op de Sion, U zult ontvangen wat U is beloofd.’


Tegen de gewoonte in laat Bach de cantate niet beginnen met een groots opgezet openingskoor, maar juist met een heel tere, lyrische aria voor de alt begeleid door strijkers en d’amore hobo’s. In de instrumentale inleiding kunnen we de twee contrasterende elementen, rust en virtuositeit, al beluisteren. In de alt solopartij componeert Bach op het woord ‘lobet’ uitgebreide virtuoze coloraturen, en na ‘Stille’ volgt er altijd een rustteken.


De verrassing van dit begin wordt nog versterkt door deel twee waar eerst nu de lofzang in alle hevigheid losbarst: trompetten, pauken, hobo’s, strijkorkest, continuo (cello, bas en orgel) en vierstemmig koor jubelen. Het is precies het soort grootschaligheid waarmee je verwacht dat een cantate zal openen. Bach is blijkbaar zelf tevreden over dit deel omdat hij het jaren later enigszins aangepast weer gebruikt als ‘et expecto’ (credo) in de Hohe Messe. De vorm in dit deel is A-B-A, waarbij in tegenstelling tot de vier zelfstandig opererende koorstemmen in A, het B-gedeelte gekenmerkt wordt door een strikt homofone zetting. Hierbij zingen de koorstemmen tegelijkertijd dezelfde tekst in hetzelfde ritme. Tevens is hier de begeleidende rol van het orkest minder uitbundig.


In het bas-recitatief wordt dankgezegd aan de raadsleden, de beschermers van de stad, die bekend staat om haar vele fraaie lindebomen. In de hierna volgende sopraan-aria, waarschijnlijk een bewerking van een eerdere wereldlijke aria, komen de maatsoort (6/8) en de virtuositeit (nu van de soloviool) overeen met de openingsaria. De vele rusten van het begeleidend strijkorkest wijzen weer naar de stilte. De tenor wordt in zijn recitatief begeleid door het strijkorkest. Hierdoor krijgt het karakter van de tekst (het is eigenlijk een gebed) een extra glans. De woorden van het slotkoraal zijn door Bach overgenomen van de Duitse vertaling van het Te Deum door Luther uit 1529.


Zelf zeg ik over deze cantate dat hij heel makkelijk in 't gehoor ligt en dus prachtig is. Is het een heel vroeg werk? Nee, het is juist een cantate van wat later datum, 1729. Maarten noemt die openingsaria prachtig van sfeer, maar de zanger(es) heeft zo allemachtig veel nootjes te zingen dat daardoor de grote lijn enigszins teloor gaat. Ludwig Finsher veronderstelt dat deze aria gebaseerd is op een langzaam deel uit een eerder geschreven, verloren geraakt vioolconcert uit de periode in Köthen. Het koor kennen wij allen: het hoofdthema keert terug in het Credo van de Hohe Messe. Bijzonder mooi is de sopraan-aria. Hoewel de jongenssopraan naar mijn idee onzuiver zingt blijft de aria toch overeind. 


Maar blijkbaar kan ik deze cantate nogal verschillend waarderen. Het koor bij Harnoncourt vind ik steeds wat rommelig verlopen. En de opnametechniek is niet goed, het klinkt zo bedompt, het lijkt welhaast in een garage opgenomen in plaats van in de kerk. Maar ook bij deze cantate het grote wonder; de openingsaria van de alt blijkt bij Rilling ineens een wonder van schoonheid. Dit is weer zo'n voorbeeld van een stuk wat je al vaak gehoord hebt maar dan ineens toeslaat. Prachtig is het, we horen Hildegard Laurich. Hierna volgt de beroemde cantate bwv 51.


Bronnen; Ludwig Finsher/Maarten ’t Hart/Jos Vermunt