andere cantates voor de derde zondag na Pasen(Jubilate)

bwv 103 ihr werdet weinen und heulen

bwv 146 wir müssen durch viel Trübsal


 

Dit werk stamt uit 1714, het is daarmee een vroege cantate. Bach is zojuist gepromoveerd tot ‘Konzertmeister’ in Weimar, hij herschrijft het werk een tiental jaren later voor zijn eerste jaargang in Leipzig. 

Het gaat in deze cantate om de droefenis van de discipelen rond het afscheid van Jezus, om de beproevingen die hen wachten tijdens zijn afwezigheid en om de vreugdevolle gedachten bij het weerzien. De cantate begint met de beschrijving van mistroostigheid en angst en ze eindigt met hemelse feestelijkheden. Het evangelie voor deze zondag houdt ons voor dat we verdriet zullen hebben maar dat ons lijden omgezet zal worden in vreugde. Zoals we dat horen in de woorden van de psalmdichter
‘Wie met tranen zaait zal in vreugde oogsten’

De cantate begint met een sinfonia. Dit moet welhaast een beschrijving zijn van het zaaien van het wintergraan waar de tekst over spreekt; die klagende cantilene van de hobo, sterk herinnerend aan Marcello of Albinoni, dat bepaalt de sfeer van dit openingswerk. In feite is wat we hier horen een tombeau, een muzikaal genre ter ere van een overledene. Heerlijke muziek is het, dit is ongetwijfeld de indrukwekkendste en meest doorvoelde cantatemuziek die Bach tot op dit moment gecomponeerd heeft. 

De muziek van het titelstuk (2) is sterk verwant, nee identiek aan het crucifixus uit de mis in b klein. Maar treffend is nu juist de veel sterkere weerbarstigheid die we hier horen en het schroeiende pathos. In plaats van de vier lettergrepen van cru-ci-fi-xus waarbij vier hamerslagen het vlees van Christus aan het hout nagelen graveert Bach hier de naam van deze cantate (
Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen) met vier onderscheiden vocale lijnen. Elk van deze vier woorden schrijft Bach in deze partituur neer, uitgestrekt over meerdere maatstrepen. Een chromatisch dalende klagende bas, 12 maal herhaald vormt de achtergrond voor de vocalen die successievelijk ontstaan met een toenemende intensiteit. Het motet-achtige intermezzo wordt gevolgd door een da capo met de twaalfde en laatste variatie gereserveerd voor de instrumentale partijen. 

In die bodemloze put van deze cantate laat Bach zijn ontsnappingsladder neer. De sporten geëtst in de muziek, deel voor deel, stijgt ze met intervallen van derden, een mineur toonsoort wordt steeds gevolgd door haar relatief majeure. De ‘ladder’ is eveneens manifest in micro verband in het accompagnato (nr. 3) dat de woorden van Paulus citeert '
Wir müssen durch viel Trübsal in dass Reich Gottes eingehen'. Terwijl daar de baspartij in het continuo zich geleidelijk een octaaf neerwaarts beweegt stijgt de eerste viool langs een diatonische C groot toonsoort. Een tegengestelde beweging is het, bedoeld om zo de (menselijke) wereld van verdrukking en het (goddelijke) koninkrijk met elkaar te verbinden. 

Dat dualisme wordt verder uitgewerkt in de nu volgende alt aria (nr. 4). Met het oog op de bijbelse traditie om tegengestelde begrippen in te zetten bij wijze van theologische exegese, zoals de Herder en de schapen, de Hoeksteen en het struikelblok, gaat Bach hier op door.
'Kreuz und Krone' en Kampf und Kleinod' zijn de allitererende symbolen van de wijze waarop het huidige en het toekomstige leven samengevoegd worden. 

Daarna mag het wel een opluchting heten om nu verder te gaan naar die opgewekte bas-aria '
Ich folge Christo nach', een Italiaans aandoende trio sonate. Maar dan volgen er opnieuw angstvisioenen in de hierop volgende tenor-aria 'Sei getreu'. Zelfs in dit vroege stadium van zijn cantate-leven is Bach compromisloos in zijn zoeken naar hermeneutische waarheid, bereid om oppervlakkige aantrekkelijkheid op te offeren en te vervangen door een getormenteerde melodische lijn om zodoende te overtuigen van de immense moeilijkheid om standvastig te blijven, ook onder provocatie. Een beproeving kunnen we het noemen, deze aria, slechts draaglijk gemaakt wordt door de aanwezigheid van de melodie van de hymne 'Jesu meine Freude' geïntoneerd door de trompet - het is als een hand die wordt uitgestoken naar de gelovige op de laatste sporten van de ladder. Pas in het slotkoraal - met een zingende trompet - wordt de uiteindelijke bestemming van de mens echt bevestigd. 



Zoals de titel al doet vermoeden; een echte, hele echte mineur-cantate is dit. Bij de eerste kennismaking middels Leonhardt betitel ik deze zonder meer als ‘saai’. Wat heerlijk als dan uiteindelijk die slotzang 'Was Gott tut' losbreekt. En dat wordt prachtig gezongen. Maar je moet deze cantate blijkbaar in een andere uitvoering horen. Nee, niet die van Gardiner, niet die van de immer ongeïnspireerde Suzuki. Luister naar Rilling; het koor is mooi, de hele cantate is mooi. Die ietwat romantiserende toonzetting van Rilling doet het hier goed. 

Maarten 't Hart meldt dat dit een typisch jeugdwerk is, met zo'n dwalende hobo en zo'n inleidende sinfonia zoals Bach die alleen in z'n jonge jaren componeert. Het thema voor het openingskoor heeft Bach waarschijnlijk ontleend aan een wereldlijke cantate over de smarten der liefde van Vivaldi. Zelfs de tekst lijkt wel uit die cantate afkomstig. Die luidt bij Vivaldi: 'Piango, gemo, sospiro et peno'. Aangezien de cantate dateert van 22 april 1714 weten we nu dat Bach de wereldlijke vocale muziek van Vivaldi moet kennen. In ieder geval maakt het thema diepe indruk op Bach. 
Wat betreft de aria's van BWV 12, en dan vooral die voor alt, ze zijn typerend voor de jonge Bach. Wat is het vreselijk spijtig dat er zoveel uit zijn jeugdjaren verloren is gegaan, want de jonge Bach is een hoofdstuk apart. Terecht spreekt Besseler over: 'Der zauberhafte Glanz und Frische genialer Jugend.' 

 

 

 

 


Cantilene - Melodie met een zangerig karakter. Onder cantilene verstaat men een gedragen melodie van eenvoudige structuur en goede zingbaarheid. 

Tombeau - muzikaal genre ter ere van een overledene.

Sinfonia - een instrumentaal muziekstuk. Het woord is afkomstig uit het Italiaans en is in de meeste talen gelijk aan het woord voor symfonie. Een sinfonia is oorspronkelijk (vroeg-Barok periode) een kort muziekstuk dat gespeeld word direct voorafgaand aan een opera of aan kerkmuziek. De bedoeling is het publiek tot stilte te manen en tegelijkertijd voor te bereiden op het vocale werk dat volgt. De eerste sinfonia is - voor zover men weet - afkomstig uit de opera Orfeo gecomponeerd door Monteverdi in 1607. Later wordt de sinfonia langer en complexer. Uiteindelijk evolueert de sinfonia tot een zelfstandig muziekstuk bestaande uit meerdere delen. 



  verder met cantate 172 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates de cantat