
Naast zijn activiteiten als docent aan de st. Thomas School heeft Bach de verplichting om maar niet minder dan vier kerken in Leipzig van muziek te voorzien. In een petitie, in 1730, verzoekt hij het stadsbestuur om voor een passend aantal muzikanten te zorgen, vocalisten en instrumentalisten. Zestien personen voor het koor en achtien voor het orkest lijken hem, volgens datzelfde document, een nastrevenswaardig aantal. Een aantal wat verviervoudigd moet worden - op zijn minst wat betreft de zangers - als we rekenen met zijn verantwoordelijkheid voor die vier kerken. Op dat moment telt de st. Thomas School vijfenvijftig leerlingen, en zeker niet allen kunnen we kwalificeren als begaafde musici, zoals Bach verder opmerkt. Hij verwijst er zeventien “naar de schroothoop, wegens gebrek aan verstand, muzikaal gevoel en het nauwelijks in staat om, indien nodig, zelfs maar een koraal te zingen”.
Zo bezien blijft het alsnog verbazingwekkend wat Bach met dit soort beperkingen toch nog tot stand weet te brengen. Hoe dan ook, hij kan wél gebruik maken van deze gehele groep wanneer er slechts één kerk is die muziek nodig heeft. Aan die omstandigheid danken wij het bestaan van werken voor twee koren als de Matthäus passion (uit 1727). En zo kan ook het stadsbestuur zich ook verheugen in een dergelijk overvloedig ensemble als de stad de z.g. ‘Ratswahl’ viert in de kerk van st. Nikolai. Deze plechtigheid vind jaarlijks eind Augustus plaats. Het gaande stadsbestuur wordt bedankt, er is een prediking gevolgd door een cantate, de nieuwe autoriteiten worden verwelkomd en God’s zegen wordt gevraagd.
En zo is cantate 119 geschreven voor het nieuwe stadsbestuur van het jaar 1723, het is Bach's eerste jaar in Leipzig. En het is gebruikelijk, al is sinds de zestiende eeuw; zo'n cantate voor wereldlijke of semi-wereldlijke gelegenheden leunt zwaar op de psalmen. Eveneens in overeenstemming met de traditie is de rijk bezette orchestratie (vier trompetten, timpani, twee fluiten, drie hobo's, strijkers) die elke twijfel wegneemt dat de nu gevierde autoriteit werkelijk 'beeld van God' is zoals in de tekst wordt uitgesproken. Het is duidelijk dat Bach zich voor deze - niet kerkelijke - cantate heeft laten inspireren door de franse hofmuziek. Hoewel hijzelf nooit naar Frankrijk is afgereisd, is Bach in de afgelopen 6 jaar aan ‘t hof in Köthen sterk beinvloed door de Franse cultuur. Alle Duitse vorstenhoven waren immers sterk Frans geörienteerd. Er werd vaak Frans gesproken, het Franse theater en ballet waren bekend en geliefd, de tuin van het hof waar Bach werkte was in Franse stijl, symmetrisch en rechtlijnig aangelegd en Franse instrumentale muziek, de taalvrije cultuuruiting die het gemakkelijkst grenzen overschrijdt stond er in hoog aanzien. Menig Duitse hofkapel werd in de 18e eeuw gereorganiseerd naar Frans model. Lully (1632-1687), vanaf 1661 muziekchef aan het hof van Lodewijk XIV in Versailles geldt als vader van de ‘Franse stijl' die door zijn opvolgers en leerlingen over heel Europa werd verspreid. Veel zal hij hebben opgestoken in zijn intensieve kontakten met de leden van de Dresdense Hofkapel waar Franse musici (als Volumier, viool, en Buffardin, fluit) leidinggevende posities hadden,
En zo horen we hier een openingskoor wat is ingebed in een franse ouverture. Maar ook de tenor-aria zowel als het recitatief met z'n dansende ritme's en vreugdevolle blaasinstrumenten; het grijpt alles terug naar de muziekstijlen aan het hof van de absolute monarch. En het overweldigende koraalwerk 'Der Herr hat Guts an uns getan' waarin het fugadeel de hymne 'Nun danket alle Gott' in herinnering roept wordt ook geïntroduceert door een uitgesproken martiaans ritornello. Tot aan dit punt wordt in Leipzig iets gevierd alsof het een miniatuur Versaille betreft. Hierna, zowel in het strenge recitatief als in de strikte, vierdelige zetting van het slotkoraal wordt het 'arm Gebet' van de congregatie hoorbaar; de spiritule authoriteit heeft, boven de wereldse macht, het laatste woord.
Een prachtige cantate, een mooie tenorpartij. Onverwachts heftig doemt het koper op. Ook Simon Crouch (ClassicalNet) signaleert dit;
“If anybody had been quietly snoozing off in the back during the pastoral idyll of the tenor aria then they would have been woken with a start by the very noisy bass recitative, accompanied by trumpets, drums, recorders, oboes da caccia, bass and the kitchen sink. Quite astonishing. Our suddenly awakened listener would have been able to rest more easily next with an even more laid back alto aria, this time benefiting from a lengthy and attractive introduction from the recorders.”
Maar persoonlijk vind ik dat er geen enkele reden is om in te dommelen bij dit werk. Voor een echt mooie uitvoering kunnen we trouwens deze keer bij Harnoncourt terecht. Zelfs het koper is deze keer mooi wat bij hem toch een zeldzaamheid is. Fritz Werner biedt bij zijn uitvoering een werkelijk prachtige tenor. En die mooie staccato fluitjes in het slotkoor, dat is ook wel erg bijzonder. Ja, later kies ik dan toch voor Werner.

'Wohl dir, du Volk der Linden', aldus worden in de tenor-aria de inwoners van de stad toegesproken. De naam Leipzig is afkomstig van het Sorbische Lipsk, wat lindenoord betekent. De Sorben spreken ook vandaag nog van Lipsk, en niet van Leipzig. Ook veel Polen en Tsjechen gebruiken deze naam nog.
Wie het pad der chronologie wil volgen gaat verder met de cantate 'Warum betrübst du dich mein Herz' BWV 138.