Bach gebruikt de hele tekst van de hymne in deze cantate. Zonder parafrases of toevoegingen deze keer, zoals hij dat ook doet bij BWV 112. Gezien deze werkwijze en het karakter van deze cantate gaan we er van uit dat ze gecomponeerd is in delfde tijd als BWV 112 en vergelijkbare werken, dat wil zeggen ergens tussen 1728 en 1731. De cantates die hij gedurende deze periode componeert zijn blijkbaar bedoeld om de met pasen 1725 afgebroken serie van koraalcantates alsnog te completeren. Maar voor welke specifieke gelegenheid ze gemaakt is dat blijkt nergens uit. De tekst biedt wat dat betreft geen enkel houvast. Het is een hymne van lof en dankbetuiging die bij een groot aantal gelegenheden gebruikt zou kunnen worden.


Als we een vergelijking maken met de eerdere koraalcantates dan zijn er grote verschillen. Karakteristiek voor die cantates is het grootschalige openingskoor, het herschrijven van de ‘binnen-coupletten’ tot recitatief- en aria teksten, het eenvoudige slotkoraal. Maar in BWV 117 zien we een opvallende eenvormigheid; negen identieke strofen, een vast metrum, een vast rijmschema. In feite is dit een terugkeer naar het type cantate van vóór de invoering van aria’s en recitatieven in de kerkmuziek. Binnen dit raamwerk probeert Bach zoveel mogelijk variatie aan te brengen maar toch doet het geheel wat gekunseld aan. Drie van de negen delen betiteld hij als aria’s maar ze tonen niet het gebruikelijke karakter doordat ze kort zijn en doordat ze tekstueel gezien geen herhaling, in de vorm van een da-capo, toelaten.


Maarten noemt deze cantate als geheel wel een fraai werk maar het is niet de Bach waarvoor je al het andere cadeau geeft. En dan opeens, zegt hij, vlak voor het eind verschijnt de alt-aria die Vestdijk volkomen terecht als volgt omschrijft:


"Een van de allermooiste aria's, nobele en ontroerende melodie in gepuncteerd ritme en triolen, grote lijn bewonderenswaardig met een onvergetelijke climax, ook slot buitengewoon, wending naar de subdominant".


In deze aria (zoals bij 68) heeft Bach geluksgevoel gesublimeerd. Maar het is een ander geluksgevoel als bij 68. Het gaat dieper, het is een warme gloed in je binnenste, iets onaantastbaars en onverwoestbaars. Hoe zou Bach het zelf ondergaan hebben dat hij zoiets scheppen kon? Wat moet er een overvloed aan monterheid en blijdschap in zijn innerlijk geweest zijn. Met daarbovenop het technische vermogen om gul de essentie daarvan aan zijn medemensen te kunnen uitdelen. Zelfs bij Mozart vindt je zoiets niet, zo'n tintelende warmte en hemelse vreugde.


In 2003, op een warme juni zondag bij een concert van 'de Swaen', is deze aria het eerste en enige stuk wat me tijdens dit hele concert opvalt. Die alt zingt het dan ook erg mooi. Kunnen we thuis terugvinden wat we gehoord hebben? Eigenlijk niet. De Rilling-versie komt wel enigszins in de buurt. Maarten zegt daarvan: 


"De alt-aria wordt door Rilling niet largo gespeeld maar allegro en zonder enig gevoel"


Het moet inderdaad veel mooier kunnen. Blijkbaar doet geen van de opnames die ik bezit recht aan die aria. Vervolgens wordt Gardiner aangeschaft. Maarten ‘t Hart in Luister;


"Countertenor William Towers is niet om aan te horen, en dat is vooral zo spijtig omdat bij Bach de alt steevast de mooiste aria’s kijgt toebedeeld. De tempoaanduiding is largo en hier wordt deze zeldzaam ontroerende, beeldschone muziek als een allegro assai uitgevoerd. Op een oude opname van Lehman duurt de aria 7 minuten en hier ruim 2. Waarom? Daardoor gaat de kracht en de schoonheid van de muziek volledig teloor."

 

Het moet gezegd, Maarten heeft gelijk. Alleen is het niet William Towers die hier zingt maar Robin Tyson.

 

 

 

 

 

 

 




And now for something completely different.


Het vierde couplet van het koraal wordt integraal geciteerd door Old Shatterhand, nadat hij met zijn trouwe kameraad Winnetou het kwaad weer eens heeft bezworen, terwijl de overwonnen Sioux-hoofdman, die gebonden aan zijn voeten ligt, zich verbijsterd afvraagt wat dit voor zijn lot te beduiden heeft.


Er streckte Old Shatterhand beide Hände entgegen, wobei ihm noch immer die Thränen über die gebräunten, eingefallenen Wangen perlten. Old Shatterhand drückte ihm leise die von den Fesseln verwundeten Hände, zeigte dann zum Himmel empor und sagte im herzlichsten Tone: ‘Danken Sie nicht den Menschen, lieber Freund, sondern danken Sie unserem Herrgott da oben, welcher Ihnen die Kraft gegeben hat, den unbeschreiblichen Jammer zu überstehen. Er ist es ja, der uns geleitet und beschützt hat, so daß wir gerade noch zur rechten Zeit hier eingetroffen sind. Uns haben Sie nicht Dank zu sagen. Wir sind nur seine Werkzeuge gewesen; zu ihm aber wollen wir alle unser Gebet emporsenden, wie es in unserem schönen, deutschen Kirchenliede heißt:

 

Ich rief dem Herrn in meiner Not:
Ach Gott, vernimm mein Schreien!
Da half mein Helfer mir vom Tod
Und ließ mir Trost gedeihen.
Drum dank, ach Gott, drum dank ich dir;
Ach danket, danket Gott mit mir!
Gebt unserm Gott die Ehre!



Er hatte seinen Hut abgenommen und die Worte langsam, laut und innig wie ein Gebet gesprochen. Auch die andern hatten ihre Häupter entblößt, und als er geendet hatte, erklang aus jedem Munde ein frommes, kräftiges ‘Amen!’


(Bron: voorlaatste aflevering van Karl May: Der Sohn des Bärenjägers, gepubliceerd in de Knabenzeitung Der Gute Kamerad, September 1887)


 

 



 






de cantates de cantates de cantates de cantates  nu 171