ook voor de vijfentwintigste zondag na Trinitatis

bwv 90 es reisset euch ein schrecklich Ende



Veel schrijvers menen dat dit Bachs laatste cantate is, uit 1744. Ze baseren zich dan op de tekst van het laatste recitatief: 'So strecke deine Hand auf ein erschreckt geplagtes Land, die kan der Feinde Macht bezwingen und uns beständig Friede bringen'. Dit zou slaan op de Pruisische invasie: Frederick de Grote valt in 1744 Sacksen binnen. Toch heeft Dürr al lang aangetoond dat dit werk uit 1724 stamt. Deze cantate is één van de twee bewaard gebleven cantates bedoeld voor de 25ste zondag na de Drieëenheid (ofwel Trinitatis). Die andere is cantate BWV 90 'Es reiset euch ein schrecklich Ende' uit het voorgaande jaar 1723.

Wat direct opvalt is de enorme tegenstelling die uit de beide titels spreekt. En toch, het evangelie voor deze zondag is echt hetzelfde als in 1723, nl. Mattheus 24 vers 15-28. Het bevat passages over Jezus’ aankondiging van het einde der tijden en daar horen zowel verleidingen als beproevingen bij. Dat rechtvaardigt de verschillende beginregels van beide cantates, tenminste, als we ze in de context plaatsen van het christelijk geloof waar immers het afschrikwekkende Armageddon, het einde der tijden, direct wordt verbonden met de komst van het heil. Dat is wat in deze cantate gebeurt. 

De hymne van Jakob Elbert waarop deze cantate is gebaseerd maakt direct duidelijk dat de woorden ‘Du Friedefürst, Herr Jesu Christ’ louter een aanroeping zijn, ingegeven omdat de mensheid lijdt aan grote beproevingen, zoals in de volgende aria verder uitgewerkt wordt. Pas daar wordt de ontzetting voelbaar die de angstige ziel, onderworpen aan het laatste oordeel, moet ervaren. Daar in dat duet van de alt met dat obligato van een kronkelende hobo horen we een intens gepassioneerde ‘schreeuw van angst’. Bach heeft de beschikking over een tamelijk nieuw instrument, de oboe d’amore, en hij maakt een werkelijk uitputtend gebruik van alle mogelijkheden. Het laten uitwaaieren van allerlei chromatiek, het verkennen van heftige en onstabiele tonale reeksen zoals die van Gis die ons steeds laten raden waarheen het moduleren ons voert. Het kan allemaal op dit nieuwe instrument met dat enorme bereik.

Het keerpunt in de cantate wordt bereikt in het prachtige vocale Terzetto (4); de mens klaagt niet meer alleen over smart, niet langer smeekt hij God, hij erkent dat hij in zonde is gedompeld waaruit alleen de God die ordening aanbrengt hem kan bevrijden. Het lijkt er op dat Bach zich hier opzettelijk in een veelheid van met elkaar verknoopte compositorische uitdagingen begeeft. Al dat thematische potentieel van het motief uit het openingsritornello gaat hij vervolgens opnieuw opgraven, het verder verkennen met behulp van allerlei modulerende mutaties via cirkels van neervallende kwinten die de luisteraar door rijke onderaardse tunnels voeren, de uitgang immer onzeker. 



Maarten ‘t Hart over deze cantate:

"Een monumentaal koor, een prachtige altaria, maar 't aangrijpendste onderdeel van deze cantate is het sublieme terzet voor sopraan, bas, tenor."

Bij mij blijft het enthousiasme lang uit. Als we Harnoncourt, Rilling, Gardiner en Richter hebben gehoord, dan resteert nog Leusink en dan is dat ineens onverwachts mooi. Dat recht-toe-recht-aan-zingen van onze landgenoten hier vertegenwoordigd in de Kruitvat-collectie; ach, het is ineens niet zo pretentieus meer, het is van een simpelheid... Nee, niet langer is het een concert, het is weer gebruiksmuziek geworden, gewoon voor in de kerk, gewoon om het Evangelie te verkondigen aan het kerkvolk te Leipzig. Bach heeft z’n best gedaan op deze cantate. En volgende week maakt hij er weer één.


En dat is cantate 62, zie de link onderaan de pagina.













Oboe d'amore - De oboe d'amore, ook wel liefdeshobo genoemd, is een muziekinstrument, dat tot de houtblazers wordt gerekend. De oboe d'amore is een dubbelriet aangeblazen instrument, dat erg lijkt op de hobo. Maar in vergelijking met de hobo is de oboe d'amore iets groter en heeft het een iets rustiger en serene klank. De oboe d'amore wordt wel de alt of mezzo-sopraan onder de hobo's genoemd en klinkt een kleine terts (anderhalve toon) lager dan de hobo en een grote terts (twee hele tonen) hoger dan de althobo. Het is een transponerend instrument, wat betekent dat de oboe d'amore ook een kleine terts lager klinkt dan zij genoteerd wordt.

De oboe d'amore wordt in de 18e eeuw uitgevonden en voor het eerst gebruikt door Christoph Graupner in 'Wie wunderbar ist Gottes Güt'. Johann Sebastian Bach schrijft regelmatig muziekstukken waarin de oboe d'amore gebruikt wordt, waaronder een concert, veel van zijn cantates en het "In Spiritum Sanctum" uit de Hohe Messe. Bachs tijdgenoot Georg Philipp Telemann gebruikt de oboe d'amore ook zo nu en dan.

In de tweede helft van de 18e eeuw verliest de oboe d'amore zijn populariteit. Pas aan het einde van de 19e eeuw wordt het instrument herontdekt en gebruikt door componisten als Richard Strauss, Claude Debussy, Maurice Ravel en Frederick Delius. Het bekendste moderne muziekstuk waarin de oboe d'amore gebruikt wordt is de Bolero van Ravel.




kijk ook even op mijn nieuwe website >>  verder met BWV 62 >>