ook voor de elfde zondag na Trinitatis

bwv 199 mein Herze schwimmt im Blut

bwv 179 siehe zu, daß deine Gottesfurcht nicht Heuchelei sei



“Stijl, onderwerp en functie van het kunstwerk zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden.” 


Dat zegt, in het hoorcollege kunstgeschiedenis* van donderdag 2 december 2010 hoogleraar Elmer Kolfin. Het gaat vandaag over de barok en hij bespreekt Pieter Paul Rubens maar wat hij hier zegt geldt voor alle kunst. Het geldt ook voor de muziek van Johann Sebastian Bach. Wat is het onderwerp van cantate 113, wat is de functie van cantates? Is het kunst of is het gebruiksmuziek voor in de kerk?


Wat Bach beoogt is kunst in de kerk te introduceren, kunst die recht doet aan de traditie, maar die tegelijkertijd vernieuwend wil zijn en die voldoet aan hoge artistieke maatstaven. Maar het is wel kunst die bestemd is voor de zondagse luisteraar, de bezoeker van één van de Lutherse kerken in Leipzig. Hij gebruikt daarom ingrediënten die niet alleen voortkomen uit zijn eigen creativiteit maar die tevens ontleent zijn aan het collectieve geheugen van zijn publiek. Zijn cantates moeten een onmiddellijke herkenning oproepen bij zijn toehoorders. Natuurlijk, de stijl is belangrijk (het is ontegenzeggelijk van Johann Sebastian Bach) maar ook de functie (een theologische boodschap overbrengen aan de gemeente) en tenslotte het onderwerp.



Lukas 18:10-14

De farizeeër en de tollenaar

 

10 Twee Menschen gingen opwaerts in den Tempel, om te bidden; de een een Phariseus, de ander een tollenaer.

11 De Phariseus stont, ende badt by hem selven alsoo: Ick dancke u, Godt, dat ick niet en ben als de andere lieden, roovers, on-rechtveerdige, over-speelders; ofte oock als dese tollenaer.

12 Ick vaste twee-mael in de weke, ende geve de tienden van al dat ick hebbe.

13 Ende de tollenaer stont van verre, en wilde oock sijne oogen niet op-heffen ten Hemel; maer sloegh aen sijne borst, ende sprack: Godt, weest my sondaer genadigh!

14 Ick segge u: Dese ginck af gerechtveerdigt in sijn huys voor genen. Want wie hem selven verhoogt, die sal vernedert worden; ende wie hem selven vernedert, die sal verhoogt worden.



Eén van de ingrediënten van cantate 113 is de hierboven geciteerde parabel, een welbekend citaat uit de Lutherse Bijbel. Een ander ingredient is het bekende koraal van Bartholomäus Ringwaldt uit 1588 'Herr Jesu Christ, du höchstes Gut'. Elke toehoorder, gezeten in zijn kerkbank, kan dit lied onmiddelijk meezingen. Het koraal zoals Bach dat hier gebruikt overbrugt moeiteloos de kloof tussen traditionele gemeentezang en zijn nieuw geleverde kunstuiting en ze heeft hier zoals Martin Petzold opmerkt, een ‘catechiserende functie’; 


“Een vakbekwame selectie uit een bekend lied verleidt luisteraars om ook de wat minder bekende theologische inzichten vanuit de cantatetekst te gaan herkennen” 


(Die Welt der Bach Kantaten, vol. 3, Stuttgart 1999).


In ditzelfde boek benadrukt Petzold dat, in zijn selectie van teksten, Bach grote waarde hecht aan de voortdurende nabijheid van zijn Lutherse Bijbel en de interpretatie daarvan in de populaire vijfdelige Bibel-Erklärung door de ‘koninklijke’ predikant Johannes Olearius (van het Saksische hof) die Bach ook in zijn bibliotheek heeft staan. Jawel, Bach gaat niet over één nacht ijs. 


Bij deze koraalcantate is er een nauwe relatie tussen het Evangelie, het koraal en de cantateteksten. De evangelielezing voor deze zondag, de 11e zondag na Trinitatis, 20 augustus, is de welbekende parabel uit Lukas 18:9-14 over de farizeeër en de tollenaar in de tempel, waarbij de één bid tot God terwijl hij zichzelf rechtvaardigd en waarbij de ander slechts om vergeving vraagt. Jezus vraagt dan welke van de twee meer gerechtvaardigd is. Het koraal wat Bach hierbij kiest is een lied wat dient ter boetedoening en de tekst kiest als vanzelfsprekend de zijde van die nederige, zichzelf verloochenende man. Door het kiezen van deze bekende hymne zijn het niet slechts koor en solisten die hier aan het woord zijn maar tegelijkertijd is het ook, gezeten in de kerkbank, het individuele gemeentelid wat daarmee, stilzwijgend, om genade vraagt. En in een direct hierop volgend tweede koraalvers wordt gevraagd om compassie. Bach wijst die tweede strofe toe aan de alt (of alten) en laat het begeleiden door steeds neerwaarts wijzende motieven (“in meiner Sünden untergeh”) in unisono spelende violen. De relatie tussen de zonde en de genade wordt in alle delen van deze cantate eindeloos bediscussieerd. Maar de link met dat oorspronkelijke koraal blijft steeds aanwezig. Zo begint de tekst van zowel deel 3 als deel 4 met een zin uit het koraal en in 4 zingt de bas solist zelfs even de melodie voor hij in een recitatief zijn beschouwingen gaat wijden aan eerst angsten en vervolgens geruststellingen. Ook in 5 - een vrolijke, bijna luchtige aria met een virtuose fluitsolo - zingt de tenor nadat hij met een zeer lang aangehouden noot uitdrukking gegeven heeft aan zijn ‘Seelenruh’ ook weer een deel van de koraalmelodie, echter op een tekst die in het koraal niet voorkomt;


Dein Sünd ist dir vergeben’ 


En ook aria 7 bevat diverse citaten uit het koraal. De sopraan ondersteunt hier een zeer geagiteerde alt die bekent Gods toorn te hebben gewekt.  


Stijl, onderwerp en functie dienen met elkaar verbonden te zijn. Bach benut in de cantate ten volle die almaar rondwarende mineur melodie van het koraal. De compositorische mogelijkheden zijn eigenlijk zeer beperkt binnen een dergelijk procedé. Maar ondanks dit gegeven en ondanks de zeer algemene tekst en het uniforme melodische materiaal, ze worden door de componist op zeer zelfbewuste wijze behandelt met instrumentale versieringen bij alle significate woorden. En door de tekst te verdelen tussen vierstemmig koor (een menigte), solo-stemmen (individuele getuigen) en een duet voegt Bach een dramatische dimensie toe aan het originele koraal. Vestdijk zegt van het openingskoor: "Mooi, maar voornamelijk te danken aan de werking van de terts in de 9e en 11e maat". Nogal pedant, zegt Maarten hiervan, en ook een tikje onzinnig. Maar dat het een mooi koor is staat volgens hem vast. Whittaker zegt over de tenoraria: "One of the most loveliest of Bachs flute melodies." Maarten: "Mij dunkt dat hier al te duidelijk een beroep wordt gedaan op een fluitvirtuoos. Al die guirlandes van tweeëndertigsten achter elkaar. Mijns inziens heeft Bach fraaiere fluitmelodieën gecomponeerd". Ook bij mij komt de waardering erg laat. Pas als ik de Gardiner-versie koop want die is prachtig, met name de delen voor bas en tenor. Deze Gardiner-opname wordt in een recensie door Maarten zowaar positief beoordeeld. De 'dansante aanpak' valt dit keer in goede aarde, vooral de bas-aria en het duet worden geroemd maar ook het prachtige openingskoor: 'licht, levendig, helder'. Alleen de tenoria klinkt volgens hem wat geknepen.


Ongetwijfeld is deze cantate, zoals alles wat Bach aan het papier toevertrouwd, een kunstwerk in de zin zoals hoogleraar Elmer Kolfin dit verwoordt. Maar Bach heeft blijkbaar geen kans gezien om met cantate 113 een kunstwerk te maken wat wij ook werkelijk met regelmaat willen beluisteren. Het wordt nauwelijks uitgevoerd. En daarmee schiet het dan toch zijn doel voorbij.   


Wie chronologie volgt gaat hier verder naar cantate 33.












* Jawel, Wies en ik, wij volgen dit najaar (2010) colleges kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Een aanrader voor iedereen die het Zwitserleven nadert.