andere cantates voor de derde zondag na Driekoningen

 bwv 72 alles nur nach Gottes Willen

 bwv 73 Herr, wie du willt

bwv 156 ich steh mit einem Fuß im Grabe


Wie luistert volgens de chronologie en nu na die veelheid van min-of-meer ‘doordeweekse cantates’ bij dit werk aankomt, die hoort daar, toch nog plotseling, dat bijzondere duet oplichten als het langverwachte pronkjuweel. We waren er aan toe, zeg ik dan. Maar eigenlijk is het niet alleen dit duet, het is het geheel van deze cantate wat zo wonderlijk mooi is, direct al vanaf die eerste tonen is het prachtig.


Het eerste deel is een grootschalig koor-arrangement. De hymne wordt door de sopraan-partij op lange noten gezongen. Opvallend - als we Harnoncourt beluisteren - hoe de jongenssopranen eigenlijk veel pregnanter aanwezig zijn in het geheel van het koor dan hun vrouwelijke evenknieën. Ik twijfel trouwens wat ik mooier vindt. In het orkest horen we twee hobo's die, zonder een enkele verwijzing naar de koraalmelodie, door die energieke instrumentatie een sfeer oproepen van een werkelijk onwankelbaar godsvertrouwen, het wordt voortdurend doortrokken van een pa-pa-pam, pa-pa-pam ritme (een z.g. figura corta) dat bij Bach als altijd vreugde symboliseert.   


Het duet verklankt volgens Finsher het 'beheerste schrijden' waarvan in de tekst sprake van is. Op het ritme van een gepunkteerde driekwartsmaat stappen alt en tenor hier waardig voort, waar de één de ander in canon voorgaat gaan ze hand in hand (parallel zingend) wanneer God hen ‘zum Grabe führt’. Luchtige arpeggio's van de soloviool illustreren dat de laatste gang hen niet al te zwaar valt. Bij Harnoncourt horen we hier een mooi voorbeeld van de impact die een countertenor kan hebben, misschien zijn zijn 'Schritten' wat minder beheerst maar ze zijn wel heel indringend. Ook bij Rilling is dat duet verrassend mooi. Gardiner moet het deze keer niet alleen in 't gejaagde openingskoor maar ook in 't duet hiertegen afleggen. Het wordt bij hem omgetoverd tot een tumultueuze draaikolk van allerlei andere gevoelens. Het wat ijle idioom wat Harnoncourt kenmerkt, de mooie concertante partijen die we bij Rilling horen, het ontbreekt hier ten enenmale; tong op je schoenen. Moeten we echt die trein halen? Dat soort vragen.


Nog wat deskundigheid over deze cantate? Ruth Tatlow dan, zij lijkt het hier en daar te luchtig te vinden:


“De eerste twee delen overtuigen de luisteraar ervan dat God wie in hem gelooft zal helpen. Het geloof kan eenvoudig zijn voor wie jong en sterk is, overlopend van optimistische energie. Als het duet dan aanbreekt met die bijna oneerbiedige uitgelatenheid, lijkt het een naïef soort van geloof te representeren, het ontbreekt aan de wijsheid die voortkomt uit latere beproevingen. De ernst van dood en berusting in de afhankelijkheid van God keert weer wel terug in het finale koorgebed ‘Wenn mich der böse Geist anficht, lass mich doch nicht verzagen.”


Hmm, ik weet het niet, ik houd wel van optimistische energie. Maarten ‘t Hart let (net als ik) meer op de artistieke aspecten:


"Ik val iedere keer weer voor het geweldige duet uit deze cantate. In ‘Du holde Kunst’ schreef ik al dat Bach altijd geïnspireerd raakt van lopen, schrijden, ijlen of wandelen. Hier luidt de tekst ‘So geh' ich mit beherzten Schritten’. Overigens blijft voorzichtigheid geboden bij uitspraken over tekst en muziek. Bach zette nu eenmaal opmerkelijk vaak een nieuwe tekst onder al eerder gebruikte muziek. Toch lijkt in dit geval waarschijnlijk dat de muziek uit de tekst geboren werd. Beheerst schrijden wordt hier muzikaal zo superieur uitgebeeld." 


Vind ik ook. Beluister hier het duet ‘So geh' ich mit beherzten Schritten’. Doe dat in full-screen en volg de partituur want dat verhoogt de feestvreugde nog aanzienlijk.










>> bwv 92 ich hab in Gottes Herz und Sinn  de cantates de cantates de canta