ook voor de Eerste Kerstdag  bwv 91 Gelobet seist du, Jesu Christ

bwv 191 gloria in excelsis Deo

bwv 63 Christen, ätzet diesen Tag



Van alle christelijke feestdagen is Kerst de enige die tot op de dag van vandaag haar karakter en tegelijkertijd haar oorspronkelijke en algemeen erkende inhoud heeft weten te behouden. Ondanks de kritiek dat het Kerstfeest, dankzij alle wereldse ruis, haar betekenis verliest, zien mensen over de hele wereld de nagedachtenis van Christus’ geboorte als een goede aanleiding om naar de kerk te gaan, wat kerkmusici dan weer inspireert om een speciale, feestelijke kerkdienst aan te bieden. Johann Sebastian Bach en zijn collega’s hebben zo’n ‘externe’ motivatie niet nodig. Die feestelijke dienst op eerste kerstdag markeert het einde van een muzikale ‘onthouding’ zoals die in Leipzig gedurende de Advent nu eenmaal gebruikelijk is. En het onwankelbare geloof in de wederkomst van de Hemelse Koning is reden genoeg om, zoals ook de Drie Koningen doen, alle (muzikale) schatten van de wereld aan de voeten van het nieuwgeboren kind te leggen. Het is een feit; de cyclus van kerkelijke feesten is nu in volle hevigheid aangebroken en er is beslist geen gebrek aan feestdagen en zondagen en die kunnen niet zonder muzikale begeleiding. Bach zal later, dan is het 1734, zijn conclusies trekken door voor deze dagen zijn Kerst Oratorium te componeren, een cantatecyclus die bestaat uit maar liefst zes cantates voor evenzovele feestdagen. Maar nu is het 1725 en hij schrijft hij voor de eerste kerstdag deze cantate, BWV 110,  in een periode dat hij wat minder productief is v.w.b. het componeren van nieuw werk. 

Bach begint deze cantate met, zoals hij wel vaker doet, zichzelf te citeren. Het openingsdeel is immers afkomstig uit zijn vierde orkestsuite, het is de ouverture daaruit. Of hij het zichzelf daarmee eenvoudig maakt is zeer de vraag, doorgaans zijn dit soort bewerkingen van eerder geschreven materiaal zeer veeleisend. Door  toevoeging van andere instrumenten, van vocale partijen, moet het geheel totaal herschreven worden. Zo laat hij hier de melodielijn van de eerste hobo nu door twee fluiten ondersteunen en het koor mag meedoen in het allegro. Het is beslist ongewoon, zeker voor wie het origineel kent. Instrumentalisten worden gedwongen om partijen die ze menen te kennen te heroverwegen, plotseling zijn die verdubbeld met stemmen die met uitbundig plezier met hen meedoen. De zangers moeten zich aanpassen aan ingeburgerde gewoontes van de instrumentale partijen. Jawel, dit stuk wordt opnieuw uitgevonden, tot leven gewekt met onverwachte klanken, met een heerlijke verbeelding van 'lachen-in-de-muziek'. Bach schrijft dan ook speciale aanwijzingen voor de wijze van uitvoeren, waarschijnlijk als toevoeging bij heruitvoeringen van deze cantate tussen 1728 en 1731. De muziek is in ‘t geheel niet klein, bescheiden, kamermuziek-achtig. Integendeel. Dit hele stuk legt een onweerstaanbare branie en pronkzucht aan de dag, uitbundig is het, los, maar dankzij natuurlijke elegantie en lichtheid wordt het nooit een boers hossen zoals we dat zien op de schilderijen bij Breughel. Het blijft natuurlijk, elegant, licht van toon.

Ook de aria’s zijn mooi. Er is een meditatieve aria voor tenor begeleid door twee fluiten (2) over de menswording van Christus en een alt-aria met gepuncteerd ritme, in muzikaal opzicht een heel stuk verwijderd van een tijdgenoot als b.v. Henri Purcell maar met een tekst die ingegeven zou kunnen zijn door zo’n zeventiende-eeuwse metafysische dichter: 

'Ach Herr, was ist ein Menschenkind,
dass du ein Heil so schemrzlich suchest?’

In een betoverend duet (5) zingen daarna sopraan en tenor de woorden van de engel uit het Lucas-evangelie ‘Ehre sei Gott in der Hohe’. Dit eindigt in een frivole, in pastorale stijl gehouden verklanking van het tekstgedeelte ‘und den Menschen ein wohlgefallen’ waar de stemmen gedecimeerd worden. Bach is tevreden en voegt het later toe aan het Magnificat BWV 243A. De bas-aria die nu volgt, met trompet, strijkers en hobo, is welhaast het prototype van de aria ‘Grosser Herr’ uit het latere Weihnachtsoratorium. Een heroische stijl, energiek, feestelijk en briljant.


Wat te zeggen van deze cantate. Is dit nu een uitbundig meesterwerk of toch een enigszins geforceerd gelegenheidswerk? Beide. Lachen in de muziek, ik vind het iets...... Dat is altijd een hachelijke onderneming. Het kan eigenlijk niet. Maar in dit geval.

Deze cantate kunnen we horen op de tweede kerstdag 2007, 's morgens in de zeer drukke Westerkerk. En dan blijkt opnieuw hoe bijzonder het is, die zichzelf steeds vernieuwende componist die juist als je denkt alles nu zo'n beetje te kennen, die zich dan toch weer van een heel andere kant laat zien. Eerder had ik deze cantate getypeerd als zo'n typische trompetcantate met een nogal gezwollen toon die maar voortduurt van het begin tot aan het einde; die toon van 'wat is onze God toch geweldig'. De toon waar ik niet zo dol op ben. Maar vandaag is het ineens een prachtig, lichtvoetig werk geworden, Hein Meens doet het goed. Blijkbaar doen mijn cd-uitvoeringen de cantate geen recht. Dat geldt voor het verbeten zingen van de jongetjes bij Harnoncourt, het geldt zelfs voor de wat gezapige Werner. Gardiner komt met z’n lichte en dansante toon meer in de buurt maar het meest toch wel Hein Meens op deze zondagochtend in de Wester. 

Bron; Andreas Bomba


 

En hierna volgt dan BWV 57.