Monogram Johann Sebastian Bach







andere cantates voor hemelvaartsdag  bwv 43 Gott fähret auf mit Jauchzen

bwv 128 auf Christi Himmelfahrt allein

bwv 37 wer da gläubet und getauft wird



In het Leipzig van Bach horen we elk jaar op de derde zondag na Pasen het tumult van de Paasmarkt. Duizenden handelaren, kooplieden met exotische waar vanuit alle windstreken bevolken nu de stad. Koffie uit Arabische landen, ivoren crucifixen uit Italie, tabak uit Amerika en wollen breigarens uit Engeland, het is alles hier verkrijgbaar. De hele wereld lijkt in deze provinciestad bijeen te komen. En wat wordt er in deze stad nog lang gesproken over dat publieke protest tegen, het is dan 1684, het te koop aanbieden van de zogenoemde ‘türkischer Schrumpfköpfe’(shrunken heads). Een wrede confrontatie vormt dat alles met de christelijke moraal van de stedeling uit Leipzig. Maar geleidelijk aan verdwijnt het rumoer van de Paasmarkt en het vertrek van de laatste rondtrekkende handelaar valt samen met het geruststellende geluid van de klokken die de naderende Hemelvaartsdag aankondigen. 

Veertig dagen na Pasen, en ook dan al altijd op een Donderdag, neemt de Hemelvaartsdag in deze stad een aparte plaats in als een tijd van aanbidding en van wijding. De belangrijkste dienst van deze dag, die van 7 uur ‘s avonds bevat naast de preek van een uur tevens een cantate in, plus een avondmaalsviering. Bach schrijft vier cantates voor de Hemelvaartsdag, BWV 11 is de laatste en deze wordt ook wel betiteld als het Hemelvaartsoratorium. Een mooie cantate is het zeker waarbij Jezus, halverwege dit werk, de aarde onder zich laat. 

Blijkbaar heeft Bach het druk in deze periode. Het openingskoor en de aria's van deze cantate zijn dan ook niet nieuw maar afkomstig uit eerdere, seculiere cantates. De originelen zijn verloren gegaan zodat wij niet kunnen zien in hoeverre Bach ze opnieuw gearrangeerd heeft. Wel is duidelijk hoezeer de muziek de nieuwe woorden past. Die vreugdevolle opwinding van de opening, de welhaast smekende tonen van de violen in de aria ‘Ach bleibe doch’ en vooral de heerlijke instrumentatie van de aria ‘Jesu, deine Gnadenblicke’ die door het volledig ontbreken van alle laaggestemde instrumenten op heel natuurlijke wijze een indruk geeft van het loskomen van aardse banden. En wat een heerlijke koorfinale is dat, waarin opnieuw het hele orkest ten tonele gevoerd wordt. We horen daar een magnifieke concertante instrumentale partij waarin het koorwerk is gevat; een proclamatie van de woorden, zin voor zin, met daarbij de koraalmelodie van ‘Von Gott wil ich nicht lassen’ in de sopraanpartij. 

Is het wel een cantate? Het is één van de composities die Bach als oratoria aanduid rond 1734/35. Dit werk onderbrengen bij de cantates zoals gedaan wordt bij de oude Bach-Gesamtausgabe is daarom misleidend en het geeft het werk, onterecht, een aparte plaats van die twee andere aldus aangeduidde werken; het Kerst- en het Paasoratorium. Het is waar, Bach voert dit oratorium uit tijdens een kerkdienst i.p.v. een cantate. Desalniettemin probeert hij aan de gemeente met dit oratorium de gebeurtenissen van de Hemelvaart op een verhalende wijze te presenteren. Er wordt een verteller opgevoerd die letterlijke teksten uit het Oude testament reciteert met daaraan toegevoegd commentaar en reflexies op de uitgesproken tekst. Zo -anders dan bij cantates die nimmer een voortgaand verhaal vertellen- relateert het oratorium de opeenvolging van gebeurtenissen rondom Christus' opstijging ten hemel. 


Maarten 't Hart: "Wie houd van die feestelijke, uitbundige openingskoren met veel koper, krijgt hier één van de fraaiste specimen in dit genre te horen". En als je dan de uitvoering van Fritz Werner hoort dan heeft hij natuurlijk gelijk. Als het dan toch juichend moet zijn dan helpt het natuurlijk wel als je Maurice André (trompet!) tot je beschikking hebt. Maar de sound bij Werner is de sound van de sixties en lang niet zo beeldend b.v. in het middenkoraal (gewoontjes) en in het slot (traag). Eén van de aria's komt direkt bekend voor. Deze aria, de altaria ‘Ach bleibe doch’ is later in geconcentreerde vorm in de Hohe Messe opgenomen als het Agnus Dei. Terecht wordt die tot de meesterstukken gerekend. Als curiositeit moeten we eigenlijk Kathleen Ferrier een keer horen die zowaar een engelse versie daarvan ten gehore brengt: ‘Ah,tarry yet, my dearest Saviour’. De Harnoncourt-versie gaan we later (dankzij die speciale sound van de jongetjes) toch nog mooi vinden. Maar een goed alternatief daarvoor is ‘The Orchestra and Choir of the Age of Enlightment' o.l.v. Gustav Leonhardt. Een mooie, sfeervolle, zeg maar gerust, een gewijde uitvoering is dat. Hier zingt de mannelijke alt erg mooi. Maar John Eliot Gardiner is, zoals zo vaak, de absolute top. Hij voert het uit als ware het een kleine Matthäus Passion, zo vol dramatiek. Wat een drive in dat openingskoor! Wat een schitterende contrasten in dat simpele koraal daar middenin die cantate. En ook de aria's worden mooi gezongen. En deze keer is Maarten 't Hart het een keer met mij eens. Die hele CD waar dit op voorkomt betitelt hij als voortreffelijke, haast speelse uitvoeringen maar juist het Hemelvaartsoratorium wordt volgens hem wel bijzonder mooi uitgevoerd; “Het feestelijke openingskoor begint licht en levendig. Een fraaie, transparante klank en een tempo waarbij de muziek kan ademen en toch vaart heeft. Ook de alt-aria wordt subliem uitgevoerd. Een vloeiend, niet te langzaam tempo. Michael Chance klinkt hier als een prachtige alt. Acht minuten Bach van het hoogste niveau. In de zes minuten durende sopraan-aria valt naast de strakke stem van Nancy Argenta ook de licht, dansante klank op van hobo en strijkers. Het lijkt bijna alsof deze uitvoerenden een concertstuk spelen”. 

 

 




 



En voor wie zich afvraagt wat ‘shrunken heads’ ook weer zijn; 

Jívaro is een verzamelaam van groepen inheemse volken van Ecuador. Van de hoofden van hun overwonnen vijanden maken ze de ‘shrunken heads’ die nu in een aantal volkenkundige musea te bewonderen zijn, door een ingewikkeld procédé van het stropen van de huid van de schedel, tot het roken en opvullen van de lege huid. Frappant detail: de hoofden waren en zijn een erg gewild object voor illegale verzamelaars. De Jívaro maken ook regelmatig, bijvoorbeeld van paardenhuid, deze shrunken heads na – waarna ze voor veel geld verkocht schijnen te kunnen worden op de zwarte markt. In het Tropenmuseum in Amsterdam staat zo’n shrunken head, waarvan men denkt dat het nagemaakt is. 




cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates de cantates nu 80