Monogram Johann Sebastian Bach









  voor de eenentwintigste zondag na Trinitatis    bwv 38 aus tiefer Not schrei ich zu dir

bwv 98 was Gott tut, das ist Wohlgetan

bwv 188 ich habe meine Zuversicht


 

 

 

Bachs librettist (we weten niet wie dat is) kiest als tekst voor het openingskoor de uitroep van een man uit het evangelie van Marcus (9:24): 

 

‘Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp

 

Geloof en ongeloof, tot uitdrukking gebracht in een cantate vol contrasten. De hele cantate zal, op allerlei niveau's en ook in zijn structuur, het innerlijk conflict in beeld brengen van de weifelachtige gelovige. De rolverdeling is duidelijk. Twijfel en ongeloof overheersen in het aandeel van de tenor hoezeer deze ook probeert zichzelf (en ons) te overtuigen, het keerpunt komt pas met de inbreng van de alt: 

 

Die Glabensaugen werden schauen das Heil des Hernn

 

Zekerheid en Godsvertrouwen, de aanbeveling van de alt. En natuurlijk wordt dat overtuigend verwoord in de mooiste aria van deze cantate.

 

 

De kennismaking met deze cantate middels de Harnoncourt-uitvoering valt niet mee. Na een nogal iele opening met vele valse noten door toedoen van de blazers volgt een tenor-aria die geleidelijk indringender wordt en een countertenor die langzamerhand prachtige versieringen brengt bij een wonderschone begeleiding. Het slotkoor is vervolgens opnieuw rommelig en kaal. Als je later Rilling hoort dan blijkt dat daar alle 'iele valsigheid' van Harnoncourt achterwege blijft; de blazers zijn minder pregnant, het koor zingt minder 'stoterig'. Jawel, nu wordt het mooi. 

 

Meningen over deze cantate. Op de Bach Cantatas Website schrijft Aryeh Oron in dermate lyrische bewoordingen dat ik dat niet kan invoelen, helaas. Lees hier wat hij daarover schrijft. Wel ben ik het erg eens met zijn waarderen (zijn niet waarderen) van de verschillende opnames. 

 

Aryeh Oron wrote (November 12, 2000):

 

(1) Helmuth Rilling (1971 (Mvts. ) + 1981 (Mvts. 4-6)

The magnificence of the opening chorus is best expressed in this rendering. The instrumental introduction is grabbing you in, and then the sopranos enter with enthusiastic singing, followed by the other voices. They are competing with each other in their wanting to be heard by Jesus. I recommend everybody to hear this ebullient rendering. If you have not known this cantata before, I am sure that you will be captivated, like I did.

 

(2) Nikolaus Harnoncourt (1980)

The fragmented approach of Harnoncourt, has never disturbed me more than in his rendering of the opening chorus. It kills everything. There is no flow and no enthusiasm. He is working against the direction of the music and the message of the text. Has he not read the linear notes to his recording? I do not believe that anyone, who has heard only this recording, would learn to appreciate this cantata.

 

(3) Ton Koopman (1998)

I find that Koopman gentle and transparent approach is not wholly suitable to the opening chorus. The playing of the instruments and the singing of the various voices of the choir are pleasant, but it does not take you with it. Indeed, it is flowing lightly ahead, but the power in the cries of the people for help is missing.

 

Conclusion

 

(1) Rilling - The best - go for it!

(3) Koopman- middle of the road

(2) Harnoncourt - avoid

 

Een fragmentarische aanpak bij Harnoncourt zonder enige ‘flow’ en een gebrek aan ‘power’ bij Koopman. Goed zo, Aryeh. Ach het is natuurlijk altijd heerlijk om je eigen mening treffend verwoord te zien. Dat is hier het geval. 

 

Eduard van Hengel analyseert op zijn web-site het openingskoor en probeert dan wat greep te krijgen op de muzikale gebeurtenissen in dit koor maar concludeert vervolgens dat wat uiteindelijk toch overheerst een beeld is van rommeligheid, van een rafelige, onregelmatige struktuur: stemmen zetten in, krijgen tijdelijk bijval van andere, wenden zich weer af, er vallen kortere of langere vocale pauzes, allerlei motiefjes treden even naar voren en weer terug: het ontbreken van een duidelijke vorm lijkt op struktureel nivo de grilligheid van een dolende geest te weerspiegelen. In die zin is Bach dus geslaagd.

 

Maarten ‘t Hart zegt dat we nog maar eens moeten luisteren: 

 

"Hoe vaker je het openingskoor hoort, hoe indrukwekkender het blijkt. Bach heeft de tekst ‘Ich glaube lieber Herr, hilf meinem Unglauben’ gesplitst. Het gedeelte voor de komma zet hij stevig neer met mooie, w ijde intervallen. Het gedeelte na de komma zet hij als een verschrikte uitroep, een smeekbede om hulp. En steeds klinkt die kreet plotseling, dwars door 'Ich glaube' heen. Smartelijk en aangrijpend. In de tenor-aria heeft hij gekweldheid getoonzet ('wie wanket mein geängstigt Herz'). Muziek qua stemming verwant aan de gekwelde muziek van Petrus uit de Johannes-Passion (‘Ach, mein Sinn, wo willst du endlich hin’) en het vertwijfelingsduet uit cantate 60 (‘Mein letztes Lager wil mich schrecken’). Voor zover mijn muziekkennis reikt wordt dit type zielesmart - echte vertwijfeling, verscheurdheid - maar zelden muzikaal adequaat vertokt. Natuurlijk Elvira in Don Giovanni van Mozart, maar dit is eerder nog liefdesverdriet dan echte gekweldheid. Je moet wachten op de klacht van Amfortas uit Parsifal om deze vorm van hevige zielepijn getoonzet te zien. Ik vind het opmerkelijk hoe dicht Wagner, vooral in de Verwandlungsmusik uit de eerste akte van Parsifal, bij deze aria van Bach uitkomt."

 



 

 




verder naar cantate 89 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates