Monogram Johann Sebastian Bach





nog een cantate voor de vierde zondag na pasen (Cantate)

bwv 166 wo gehest du hin?



Wie overschakelt van Bach’s eerste Leipziger cyclus naar de tweede vindt ondanks de identieke, door de kerk vastgestelde thema’s, steeds opnieuw grote contrasten in de wijze van benadering door de componist; zijn verbeeldingskracht kiest altijd weer nieuwe invalshoeken. Maar dit keer niet. Dit keer glijdt Bach in exact dezelfde groef als het jaar ervoor, dat is althans de conclusie van John Eliot Gardiner. Hij voert de cantates 166 én 108 gezamelijk uit, in één concert dan valt hem iets op en hij is bereid tot de volgende weddenschap; als Bach zich neerzet om ‘Es ist euch gut, dass ich hingehe’ te gaan componeren, april 1725, dan ligt daar op zijn bureau nog die cantate van het vorige jaar ‘Wo gehest du hin’. De grote overeenkomst tussen deze twee cantates kan niet op toeval berusten. Beiden beginnnen niet met het zo gebruikelijke koor maar met een aria voor de bas (de Vox Cristi), het koor volgt later. Bij beiden ontbreekt de gebruikelijke solo voor de sopraan maar wel hebben ze een  belangrijke aria voor de tenor. Bij beiden is dat deel 2, en deze aria’s hebben allebei één hoge, zeer lang aangehouden noot erin, ‘stehe’ in 166 en ‘glaube’ in 108. Beide werken zijn geconstrueerd als een bij wijze van arpeggio neerdalende tonale trap, illustratief voor het afdalen van de Heilige Geest die in deze periode tot ons komt (in BWV 66 gaan we geleidelijk van Bes naar G, in BWV 108 van A naar Fis). 

 

Wel is er een groot verschil in benadering van het centrale thema van de cantate; in BWV 108 wordt dat allemaal veel exacter gedefinieerd dan in 166 het geval was. De vraag  ‘Waarheen gaat Gij?’ laat nog heel veel in ‘t midden maar Jezus’ woorden ‘Het is goed voor jullie dat ik nu heenga’, dat laat  aan duidelijkheid niets te wensen over. Dit is dan ook de cantate waarin Hij ons toezegt de Heilige Geest te zullen zenden en daarmee kracht aan ons te schenken. 

 

‘Es ist euch gut, dass ich hingehe’

 

De bas meldt ons dit alles in een aria gevat in de sterk gepuncteerde ritmes en de stijl van een franse ouverture, juist erg in de mode op dit moment. In de daarop volgende aria schildert Bach ons het zelfverzekerde statement van de tenor dat geen twijfel ons nog kan deren met daarbij nerveus bewegende figuren in de soloviool die daarmee een twijfel tot uitdrukking brengen die uit de tekst niet spreekt. We horen een recitatief, een koor. Maarten 't Hart zegt daarover: 

 

"Voorafgegaan door twee lieflijke aria's en gevolgd door een prachtige lyrische aria vind je hier middenin de cantate opeens een verbeten hamerend streng fugatisch koor zoals alleen Bach dat maar aanvaardbaar componeren kan." 

 

Het slotkoraal dat in de stemvoering slechts welgebaande wegen betreed, wordt nog voorafgegaan door een intieme alt aria. Ingebed in strijkers met daarbij een soloviool krijgt het een  gebed-achtig karakter wat nog versterkt wordt door lange gevoelvolle stiltes aan het eind van bepaalde zinnnen. 

 

Gardiner is het meest onder de indruk van de tenor aria met die obligate viool. 

 

“Een krachtig stuk”, zegt hij, “nogal gecompliceerd maar prachtig uitgewerkt en enigszins verwant aan de latere Brahms als die aan de zigeunermuziek ontleende klanken inlast. En daarna dat polyfone koor; drie hoekig gearrangeerde fuga’s in motet-stijl. Ze zien er op papier hardnekkig uit maar komen bij een uitvoering overtuigend tevoorschijn.”

 

Toch vind ik dat Gardiner niet de meest ideale uitvoering levert. Deze cantate wordt pas mooi als je Helmuth Rilling beluistert, met name door de bijdrage van de tenor (dat blijkt Peter Schreier te zijn!). En Karl Richter is ook erg opmerkelijk. Bij hem zet de Christus er direct stevig de pas in en laat ons geen enkele twijfel; het is goed zo.... Prachtige stem, heerlijke muziek. Voorspelbaar is daarna dat eikenhouten koor wat de evangelische boodschap er bij ons in beukt. Tja, die moeten we dan juist weer wel horen bij Gardiner, fenomenaal!







de cantates cantates de cantates de cantates >> hierna volgt dan cantate 87