ook voor de zevende zondag na Trinitatis

bwv 186 ärgre dich, o Seele, nicht

bwv 187 es wartet alles auf dich



Het lied ‘Was willst du dich betrüben, o meine liebe Seel' wordt in 1630 geschreven door pastor Johann Heermann die op de verschrikkingen van de Dertigjarige Oorlog (1618 - 1648) reageert met het schrijven van zo’n 400 kerkliederen. De cantate, gebaseerd op dit lied, stamt uit de tweede jaarcyclus die Bach te Leipzig schrijft; ze wordt uitgevoerd op de 23ste juli van het jaar 1724. 

Kenners weten dan; dit is een koraalcantate, dat geldt immers voor alle werken uit deze periode. Maar deze cantate is nogal uitzonderlijk in die aaneengesloten reeks van 44 koraalcantates. Die tonen immers allen eenzelfde patroon; het eerste en het laatste couplet van het oorspronkelijk lied blijven ongewijzigd, de binnenverzen krijgen een nieuwe tekst en ze worden omgewerkt tot recitatieven en aria’s. Wat Bach hier in cantate 107 doet is iets heel anders; de tekst van de gebruikte hymne wordt door het hele werk heen ongewijzigd overgenomen, de muziek van de delen 2 tot 6 wordt getoonzet als een moderne aria die geen enkele gelijkenis vertoont met de koraalmelodie. Dat maakt dit werk tot een vreemd element in de cyclus. Is zijn tekstschrijver niet beschikbaar? Gebruikt Bach daarom noodgedwongen de oorspronkelijke tekst? Later, veel later, zal hij als hij de gaten in zijn koraalcantatejaargang wil dichten - opnieuw dit procedé gaan volgen. Een librettist heeft hij dan niet meer. Maar waarom hij dat nu doet, op 23 juli 1724, dat blijft een raadsel waarover veel wordt gespeculeert. 

Dat doet bijvoorbeeld Julian Mincham op zijn website die hij betiteld als ‘A listener and student guide’. Hij behandelt daar uitgebreid Bach's werkwijze, hoe werkt bij hem het creatieve proces? Julian stelt dat het kenmerkend is voor Bach dat hij zeer snel werkt en dat hij zichzelf zelden herhaalt. Ook weten we dat hij wordt gestimuleerd door emotionele, intellectuele en fysieke beelden. Maar meer nog, het lijkt erop dat zijn verbeelding het best werkt als hij niet volledig vrij spel heeft, als hij werkt met beperkingen. Externe beperkingen of - dat komt ook vaak voor - beperkingen die hij zichzelf heeft opgelegd. Het gefixeerd zijn op bijvoorbeeld cijfercombinaties, complexe metaforen, het samenbrengen van tegenstrijdige beelden onder één overkoepelende structuur, het is onnavolgbaar. En het zijn allemaal voorbeelden van een zelf opgelegde beperking. Eigenlijk is de hele koraalcyclus een strenge beperking van Bach's mogelijkheden als componist, het gebruik van die koralen legt hem een strak keurslijf op.

Alfred Dürr denkt dat in het geval van cantate 107 Bach's librettist geen tekst had of dat wat hij aanbood ongeschikt was. Maar het is net zo waarschijnlijk, aldus Mincham, dat het Bach zelf is die zich deze beperking oplegt, namelijk omdat hij niet goed functioneert zonder die opgelegde beperkingen. In zijn vorige cantate (BWV 93) besloot hij om de koraalmelodie expliciet in elk deel in te lijven. Iets wat in artistiek, nog in muzikaal opzicht noodzakelijk is, zoals andere werken uit de cyclus aantonen. En in deze cantate is het juist het vasthouden aan de exacte, ongewijzigde tekst die hem beperkt in zijn mogelijkheden.

Eén ding is zeker. Dit is de zevende cantate van deze cyclus en in elk daarvan zoekt Bach zelf, strenge, aan zichzelf opgelegde structurele beperkingen. En in elk van hen triomfeert hij schitterend, reageert hij steeds opnieuw op de diverse uitdagingen die zijn artistieke verbeelding prikkelen.

 

Het openingskoor zou, ondanks de afwijkende vorm van de rest van de cantate, gewoontegetrouw een koraalfantasie kunnen zijn. Dat is het echter niet. De sopranen zingen de leidende melodie (de cantus firmus) maar ze doen dit niet zoals gewoonlijk in lange noten maar in relatief korte (kwart-) noten met hier en daar een versiering, een triller, een voorslag. De acht regels van de eerste strofe worden niet stuk voor stuk aangeleverd (zoals gebruikelijk) maar ze komen tot ons in vier ongelijke ‘clusters’ van zinnen (2+2+1+3). Ook opmerkelijk is dat de overige stemmen niet zo heel veel toevoegen aan de hoofdmelodie, het is een zeer eenvoudige vierstemmigheid zoals je die doorgaans in slotkoralen hoort. Het vocale aandeel in dit openingskoor is daarom ongewoon klein en zo valt de aandacht sterk op het instrumentale aspekt waarin nu juist niets te herkennen valt van de koraalmelodie. In feite vormt het een nogal somber decor.

Nu Bach de tekst van het oorspronkelijke lied integraal gebruikt vormt het recitatief (2) wellicht de moeilijkste opgave. Maar hij weet op vaardige wijze de al te symmetrische proporties (en de saaiheid) van deze zinnen te maskeren door het gebruik van repeterende motiefjes in de hobo’s, ze overbruggen steeds het einde van elke zin. En twee maal mag de solist met zijn coloraturen wat kleur brengen aan het geheel.

Vanwege die letterlijk overgenomen strofische teksten volgen er hierna aaneensluitend maar liefst vier aria’s, zonder da capo’s, allen voorzien van instrumentale ritornels die kortere of langere vocale passages met elkaar verbinden. Slechts eénmaal klinkt er in de aria’s van deze koraalcantate een letterlijk muzikaal citaat uit het oorspronkelijke koraal, we horen de sopraan die de aria eindigt met de woorden:

“Was Gott will, das geschicht”

Na bijdragen van bas, tenor, sopraan verwachten wij in de vierde aria (6) een alt maar het lijkt er op dat deze vandaag niet beschikbaar is; de tenor treedt opnieuw naar voren in - en dat is voor het eerst in deze cantate - een werkelijk opgewekt stuk. De beide fluiten spelen een montere wijs boven pizzicati van de bas. Een zeer levendig geheel met onverwachtse wendingen in de frasering.

Na deze min of meer dansante aria volgt dan een uitbundig slot (7), een siciliano, een dans met een gepunkteerd ritme in 6/8 maat. Er zijn, qua vorm, wel wat overeenkomsten met het openingskoor; het orkest domineert, we horen ook hier onregelmatige clusters van zinnen afkomstig uit het koraal, vierstemmig geharmoniseerd.


Er zijn niet zoveel opnames van deze cantate, dat kan betekenen dat deze niet zo bijzonder is. Als we de Leonhardt-opname beluisteren dan horen we een wat aarzelend begin. Maar dan mag Max van Egmond inzetten en vanaf dat moment wint de cantate aan zeggingskracht. Mooie strijkers en een mooie jongenssopraan met die navrante blazers daarachter. Het afsluitende 'Choral' (althans een bewerking daarvan) is ooit door Frans Brüggen met zijn orkest van de achtiende eeuw op een verzamel-CD gezet. Dat was toen om iets te vieren, en zo klinkt het ook.


Bronnen: Alfred Dür, Julian Mincham

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


  verder naar cantate 178  >>  naar Mincham>> de cantates de