Monogram Johann Sebastian Bach











Op zoek naar de kracht die achter het leven schuilt liepen de fysiologen en anatomen van de achttiende eeuw steeds weer tegen hetzelfde probleem aan; de vraag waar de ziel zich bevind, en waaruit ze bestaat. Dat met het intreden van de dood de ziel uit het lichaam verdwijnt was bijvoorbeeld zonneklaar, maar aangezien er voor en na het sterven geen gewichtsverschil kon worden waargenomen moest de anima, zoals de ziel in goed latijn werd genoemd, wel zoiets zijn als een bijzonder vluchtige damp, die bovendien slechts uit enkele atomen kon bestaan. Nog problematischer was de ontdekking die de zwitserse onderzoeker Abraham Trembley in 1744 deed. Tijdens het bestuderen van een primitief waterdiertje, de zoetwaterpoliep of de hydra, kwam hij erachter dat hij het dier ongestraft aan stukken kon snijden; uit elk deeltje groeide dan weer een nieuw exemplaar. Maar hoe zat het dan met de ziel? Was die ook in mootjes gehakt? 

De oorzaak van al deze zorgen was natuurlijk dat de mens, en misschien ook het dier, in het bezit was van een onsterfelijke ziel. Het ontkennen van dat dogma stond gelijk aan godslastering. Componisten hadden met zulke dilemma’s niets te maken. Bij Johann Sebastian Bach is de ziel een sopraan, een vrouw dus (misschien wel een jongetje) die zich halverwege cantate 106 losmaakt uit het koor en zich eenzaam bij zijn of haar schepper voegt, onder het zingen van ‘Ja komm, Herr Jesu, Herr Jesu’. Dat zijn de laatste woorden uit de bijbel en dat is niet voor niets. 


Cantate BWV 106 draagt als ondertitel Actus Tragicus en het is een begrafeniscantate. Het is één van de eerste uitingen van Bach waarin hij de betekenis van de dood voor de christen behandelt: een overgangsslaap is het, leidend naar een nieuw leven. Geïntroduceerd door een korte sonatina bevat ook dit werk - zoals alle vroege cantates van Bach - geen recitatieven en geen da capo aria's. Het is een opeenvolging van aan elkaar gekoppelde fragmenten, zelfs in de koorgedeelten. Het is een werk met een doortimmerde architectuur vol bloemrijke details die met recht barok genoemd kan worden. Het is gebaseerd op een collage van bijbel- en koraalteksten. De drie vocale delen bestaan uit verschillende aaneengesloten maar duidelijk te onderscheiden onderdelen. Het is muziek waaraan veel te ontleden valt en dat is de afgelopen eeuwen dan ook met grote ijver gedaan door musicologen. De anatomie hebben ze kunnen beschrijven, maar netzomin als Abraham Trembley hebben ze de ziel ervan kunnen traceren. Daar komt nog bij dat die zich anders dan die van de zoetwaterpoliep - niet in stukjes laat delen. 


BWV 106, ook wel de Actus Tragicus genoemd is voor het eerst uitgevoerd op 14 augustus 1707 in Arnstadt of in Mühlhausen naar alle waarschijnlijkheid bij de begrafenis van de oom van Bach langs moederskant, een zekere Lämmerhirt. Het is één van de meestgespeelde cantates, en er zijn dan ook (zie lijst hieronder) talloze uitvoeringen van. Maar blijkbaar moet ik aan deze cantate wennen want aanvankelijk ben ik er helemaal niet zo enthousiast over. Ik noem hem 'als geheel niet zo geslaagd, wat wezensvreemde, etherische muziek'. Maar bij Maarten (lees ik tot mijn verbazing) komt deze cantate in de eredivisie tussen cantate 104 en 198, kortom; dit zou een 'Gesamtkunstwerk' moeten zijn. Pas door de versie van Christ (o.l.v. Rilling) begin ik deze muziek te waarderen. Dan ineens gaat het in mijn aantekeningen over een 'prachtige inzet, etherische muziek'. Het blijkt nu een mooi, wat experimenteel stuk 'reli-theater' te zijn met af en toe een kamermuziek-achtige orkestratie. 


Dat het zo in trek is bij musici betekent dat we met deze cantate een prachtig inkijkje krijgen in de ontwikkeling van de uitvoeringspraktijk want steeds zit er tussen al deze opnames een tijdperk van ruim tien jaar. De oudste uitvoering is er één uit 1953; het Vienna State Opera Orchestra and Choir (of heet het nou voor deze gelegenheid the Bach Guild, ik kan dat uit de tekst niet opmaken). Hij klinkt zoals je zou verwachten: de koorzang is gedateerd plechtstatig, het kamermuziek element is volkomen verdwenen. Een veel te groot orkest. Moet ik hem wel helemaal beluisteren? Vervolgens hoor ik er èèn o.l.v. Wolfgang Gönnenwein, het is inmiddels tien jaar later (1965). Geen onaardige uitvoering maar niet mijn favoriet. Dan volgt dus Rilling (1975) en Leonhardt (1980), vervolgens Gardiner uit 1989. Pas bij Werner en bij Suzuki blijkt dit fantastische muziek te zijn. Op zeer verschillende wijze, dat wel.


Inmiddels bezit ik nog een oudere opname; Scherchen. Zijn opname, eveneens met het VSOO is nog ouder nl. uit 1950. Als je het hoort besef je hoe die ontwikkeling is geweest, ook in de klassieke muziek. Dat plechtstatige van de 50-er jaren horen we terug in die muziek. 














verder naar cantate 4 >>  de cantates de cantates de cantates de can