meer cantates voor de negende zondag na Trinitatis

 

bwv 94 was frag ich nach der Welt

 

bwv 168 tue Rechnung! Donnerwort


 

Bach is wat je noemt een self-made man. Historische bronnen tonen aan dat hij zich vanaf het begin laat kennen als een begaafd financieel manager. Als wees sponsort hij zelf zijn opleiding in Lüneburg met behulp van zijn ongewoon mooie sopraanstem, en als die stem wisselt ziet hij kans naar Thuringen terug te keren waar hij viool speelt in de verschillende hoforkesten. Dan, in de eerste tien jaren na zijn huwelijk, onderhandelt hij steeds opnieuw met succes over salarisverhogingen voor drie opeenvolgende functies, waarbij hij de maatschappelijke ladder met grote stappen beklimt. Zijn ultieme doel is echter niet de aardse welstand. Al in 1708 stelt hij vast dat zijn levensdoel is om ‘eine regulirte Kirchenmusic zu Gottes Ehren’ te brengen. En als hem dan 15 jaar later de post van Thomaskantor wordt aangeboden, drie jaar na de dood van zijn eerste vrouw, staat hij voor een moeilijke keuze. Een overstap van zijn positie aan het hof in Köthen naar een burgerfunctie in het kosmopolitische Leipzig moet een aanzienlijke achteruitgang in salaris betekenen. Daarnaast zal het leven in de stad veel kostbaarder zijn. Zijn tweede vrouw is op dat moment al zwanger, opnieuw gezinsuitbreiding dus. Wat zegt God? Als hij nu een Lutherse kantor wordt, zal hem dat in staat stellen om het spirituele doel wat hij zichzelf gesteld heeft te vervullen? Het is wel duidelijk. Bach besluit om zijn Mammon de rug toe te keren en zich, in het zicht van zijn geloof, naar de stad te richten. 

 

En zo treffen we Bach aan, in Leipzig, juli 1723, als hij de cantate ‘Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht’ voorbereid als wil hij de gemeente er van overtuigen dat een leven met Jezus van veel grotere waarde is dan aardse bezittingen. 

 

De anonieme tekst valt in twee delen uiteen; het eerste focust op de verschrikkingen van het oordeel en het tweede op de vreugde van het heil met het slotkoraal dat ons de boodschap op het hart drukt 'keiner soll verloren werden, sondern ewig leben soll, wenn er nur ist Glaubens voll'

 

Enkele delen zijn speciaal opmerkelijk in deze cantate. De sopraan-aria waar het basso-continuo zwijgt, de baspartij is eigenlijk het fundament van de muziek en Bach wil met het weglaten angst en onzekerheid uitdrukken. Vanaf het bas-recitatief verandert daarna de sfeer in de cantate volledig: er wordt als het ware een opening gemaakt naar 'die ewgen Hütten'. Dat is ook de sfeer die de volgende aria uitstraalt: een fiere hoornpartij (we horen een ‘corno da tirarsi') omspeeld door een virtuoze vioolpartij, parmantig begeleid door de rest van het orkest. Dit geheel in de beweging van een dans.

 

Maarten 't Hart is vooral onder de indruk van een oude opname van dit werk: 

 

'Hoe groots, hoe aangrijpend, hoe dramatisch het openingskoor is hoor je het best op een stokoude opname van Ansermet. Schitterend is de sopraanaria en de vrolijke tenor aria is verrukkelijk'

 

Helaas moet ik het doen met andere opnames en hoe luidt dan het oordeel? 

 

'Zelden hoor je een koor zo knullig en houterig zingen als in deze opening'

 

zeg ik na het beluisteren van Harnoncourt. En na het horen van Rilling wil ik deze cantate eerst afschrijven als een pretentieus en 'on-cantate-achtig' experimenteel stuk. Tot daar die mooie sopraanaria verschijnt: 'Ich zittre und wanke'. Vervolgens ga ik ook de tenoraria waarderen. Ik ga nu alles vergelijken en dan blijkt dat het jongetje bij Harnoncourt een beetje bits uit zijn woorden komt, maar wat heeft hij een prachtige stem. Toch blijf ik vinden dat de uitvoering door Harnoncourt geen recht doet aan deze prachtige muziek. 

 

We moeten een paar jaar wachten op de versie o.l.v. John Eliot Gardiner. Eerst de mening van Maarten die recenseert in Luister:

 

"Beginkoor heel stemmig en wijdingsvol, sublieme sopraanaria iets te dansant (dit is geen zittern und wanken meer zoals de tekst zegt, maar huppelen) maar wel fraai en helder. Katherine Fuge zingt hier prachtig. Ronduit vreselijk is dan hoe Gardiner de tenoraria ombrengt. Alsof de dorpsfanfare langs komt schetteren! Ook het voorafgaande recitatief wordt weggemusiceerd". 

 

Ik ben het helemaal oneens met dat oordeel. Het is juist prachtig dat na die ijle klanken van de sopraan die tenor eens uit mag pakken en dat doet hij. Een dorpsfanfare? Dan maar een dorpsfanfare. Dit is prachtig. 

 

 

 



 



   



Johann Sebastian Bach Mug









de volgende cantate is BWV 46 >>  de cantates de cant