andere cantates voor de tweede zondag na Pasen (Misericordias Domini)

bwv 85 ich bin ein guter Hirt

bwv 112 der Herr ist mein getreuer Hirt

 

In zijn eerste jaar te Leipzig staat Bach onder grote druk aangezien hij gecontracteerd is om om voor alle kerkelijke feestdagen en ook voor de meeste zondagen een cantate te componeren. Daarom grijpt hij vaak terug op eerdere geestelijke cantates of hij parodieert op wereldlijke cantates. Toch bevat zijn eerste cyclus nog minstens 36 nieuw gecomponeerde werken. BWV 104 is er één van. Hij behandelt hier het pastorale beeld van Jezus als de goede herder, een geliefd beeld in het christelijk geloof. Het wordt door hem niet alleen op heel tedere wijze maar ook met veel verbeeldingskracht uitgewerkt. Zo is de eerste aria (3) de enige in mineur, een indicatie dat het geloof in de uiteindelijke verlossing daar nog wat onzeker is. Twee hobo's en een oboe da caccia roepen associaties op met het pastorale leven; zij verbeelden de schalmei. Ergens middenin de aria is er een vervreemdende chromatische passage, een verbeelding van de angsten en de desorientatie van de eenzame pelgrim, verloren in de wildernis. Mooier nog is de bas aria ‘Beglückte Herde’ (5) waar beschreven wordt hoe de herder zijn kudde bijeengaard en waar Bach de gelovige even een glimp van de hemel laat opvangen. Als hij de zachte sluimer van de dood beschrijft die ons als wacht als beloning voor ons geloof wordt de luisteraar gekoesterd in de kalmte van die rustig wiegende beweging van een pastorale dans. Een miraculeus mooie passage is daar als de basstem daalt, zich eerst neervlijt op een onverwachte C (‘Todesschlafe’) om vervolgens zachtjes te herrijzen en vervolgens neer te dalen  op een B. Daar staat dan een opwaartse beweging tegenover die eerst op een A en vervolgens op een Cis tot rust komt bij het woord ‘hoffet’. Moeilijk te zeggen wat hier meer bijdraagt aan de kalmerende stemming, is het die glorieus meanderende melodie, de ritmische puls, het steeds wisselende accent of dat uiterst rijke harmonische stemmenweefsel in deze muziek. 

 

Maarten ‘t Hart schrijft dat er, in de door Beatles, sexuele revolutie, minirokken en Cuba-crisis geteisterde jaren zestig, op Erato mondjesmaart opnames te voorschijn komen van Les Grandes Cantates de J.S. Bach onder leiding van Fritz Werner. Haast elke opname is een openbaring. Sommige opnames zijn zelfs nu nog niet overtroffen. Niemand heeft tot op heden ooit de schitterende openingskoren van cantate 104 en 180 fraaier uitgevoerd dan Werner. Voor Maarten is 104 één van de eerste kennismakingen met de cantates. Hij heeft al vaak, in boeken, o.a. Het woelen der gehele wereld (blz. 198) beschreven hoe verpletterend die eerste ervaring is maar hij voegt er aan toe dat die allereerste ervaring met ‘Du Hirte Israël’ hem een vertekend beeld bijbrengt van de cantates. Cantate 104 is uniek omdat het werk van begin tot het eind eenzelfde pastorale sfeer ademt. Het is een volmaakt kunstwerk, een compositie uit één stuk. Voor de meeste andere cantates geldt dit niet of in veel mindere mate. 

 

Die versie met het Pforzheimer Kammerorchester o.l.v. Fritz Werner die Maarten 't Hart hier beschrijft vind ik direct een prachtige uitvoering. Het openingskoor, gecompliceerd en met allerlei (aanzetten tot) citaten daarin verwerkt, zo zachtjes begint het maar allengs is het hallucinerend mooi. Als dan in die mooie aria van de tenor en in twee recitatieven zowat alle hoekjes van de ziel verkend zijn volgt de basaria en daar gaat werkelijk de hemel open: 

 

'Beglückte Herde, Jesu Schafe'

 

Hoor wat 't orkest in 't middendeel doet. Wonderschoon. Dit is werkelijk één van de mooiste cantates vergelijkbaar met 147. Een vergelijking tussen de opnames die ik bezit geeft enorme verschillen in tempo; bij Werner duurt de bas-aria 2 1/2 minuut langer dan bij Rilling (8.25 tegen 5.56). En Harnoncourt houdt (zou je niet verwachten) het midden met 7.58. Maar hoor dan de bijna afgemeten wijze waarop de opening bij Harnoncourt gezongen wordt en vergelijk die met Werner. Maar ook Rilling biedt met z'n hoge tempi weer nieuwe perspectieven. Maarten zegt dat Rilling vaak een moordend tempo neemt gecombineerd met een koele en zelfs harteloze aanpak. Daar is het beginkoor uit deze catate een voorbeeld van. Akelig snel, bits, liefdeloos. En ook nu werpt de grote Gardiner toch weer een ander licht op de zaak met een kamermuziek-achtige kleinschaligheid die ook bij deze muziek blijkt te passen. Het is wonderlijk. 

 

Deze cantate was de eerste die ik hoorde in de Engelse Kerk (op het Begijnhof) nl. in een uitvoering door het Amsterdam Bach Consort o.l.v. Jos van Veldhoven (als gastdirigent). In het comité van aanbeveling van dit ensemble; Paul Witteman/ Jacobine Geel/ Max van Egmont (allen aanwezig in de kerk) en ook Maarten 't Hart en Anna Enquist (beiden niet gezien). Heel mooi. Nog één naam noem ik in dit verband, die van Hein Glaubitz, altviolist. In het begeleidende boekje wordt hij genoemd als één van de muzikale pijlers in het orkest maar hij blijkt ook voor te komen in een oud adresboekje van mij. Bij een volgend concert moet ik vooraan zitten. 


Beluister het openingskoor en/of ga hier verder naar de volgende cantate. Dat is, volgens de chronologie BWV 166.

 

 



 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

de cantates de cantates de cantates de cantates