andere cantates voor de derde zondag na Pasen (Jubilate)

  bwv 12 weinen, klagen, sorgen, zagen

bwv 146 wir müssen durch viel Trübsal


Maarten zegt dat de componist hier wenen en huilen met adembenemende chromatiek verklankt. 

 

Dit is de eerste in een serie van negen cantates op tekst van Christiane Mariane von Ziegler. Zij markeren Bach's terugkeer, na de indrukwekkende groep koraalcantates uit 1724/25, naar de 'madrigaalvorm' waarin alleen de introducerende bijbeltekst en het slotkoraal in direkte relatie staan tot het evangelie van die betreffende zondag. In het evangelie voor deze zondag, de derde na Pasen, gaat het om Jezus' opstanding en zijn woorden van vaarwel; het gaat om de contrasterende emoties van droefheid en vreugde die de hele tekst karakteriseren. Droefheid wordt hier uitgedrukt in chromatische stappen, indicaties voor het lijden, terwijl de vreugde wordt uitgebeeld in dansende ritmes, coloraturen en briljante orchestraties. 

 

‘Ihr werdet weinen und heulen, aber die Welt wird sich freuen’

 

De opening is een schitterende fantasie, een concertante partij van de blokfluit, afgezet tegen twee oboe d’amore en strijkers, allen gaan samen in een schijnbaar feestelijke dialoog. Maar bij de entree van de vier vocale stemmen met dat nogal hoekige fuga-thema realiseren we ons dat we onbewust misleid zijn; die feestelijke instrumenten staan helemaal niet voor de vreugde van de discipelen over Jezus’ wederopstanding, dit is het sceptische, buitensporige lachen van een wereld die zich ongemakkelijk voelt. Vandaar dat kwaadwillige gekakel van die blokfluit. Wie zo’n tekst ‘Ihr werdet weinen...’  muzikaal wil verbeelden kan kiezen voor een conventionele benadering door de antithese in die twee openingszinnen intact te laten; een mistroostig, zwaarbeladen langzaam deel gevolgd door een of ander giechelend scherzo. Maar Bach doet dit niet en wat hij wel doet wekt veel meer verbazing. Zijn strategie is hier om die tegengestelde stemmingen met elkaar te verenigen, ze te verbinden in een elkaar versterkend geheel en aldus te beklemtonen dat het wel degelijk één en dezelfde God is die deze geestesgesteldheid aan ons geeft, dezelfde God die uiteindelijk zal helen. Abrubt vertraagd dan de muziek tot adagio e piano als de bas solist intoneert 

 

ihr aber werdet traurig sein’ 

 

terwijl blokfluit en viool fragmentarische arabesken bijdragen. Precies als de vreugde het verst weg schijnt te zijn duikt ze weer op met een terugkeer van dat fuga-thema, die eerdere feestelijke/spottende thematiek die nu uit mag monden in echte verukking.

 

Waar dat extreem complexe openingsdeel op een contrast is gebaseerd, bouwen de beide recitatieven en aria's dit verder uit. Het eerste recitatief/aria paar gaat over rouw, pijn en wonden. In contrast hiermee gaat het volgende recitatief/aria paar over hoop. Dezelfde altstem die zojuist nog sprak over een plotstelinge dood verkeert nu in gepassioneerde extase. Zoals verdriet tot vreugde leidt. De nu volgende trompetaria bouwt op briljante wijze op dit effekt verder. 

 

 

Dit is een vrij korte cantate, zonder enig pathos of vertoon. Bij wijze van compensatie wordt een intimiteit en elegantie bereikt die eigen is aan kamermuziek. Een ongewone bezetting - een dwalende blokfluit in het openingskoor die in 1731 vervangen wordt door een soloviool - dragen bij aan dit resultaat. Een duidelijke favoriet qua uitvoering is er niet want bij de beoordeling noem ik steeds een andere. De laatste keer bevalt Leonhardt me het best omdat hier zo buitengewoon teer en fijngevoelig gespeeld wordt maar een andere keer kom ik weer uit bij Rilling door de vertolking van Peter Schreier. Er is een Kruidvat-versie van deze cantate. Die valt helemaal niet tegen; Sytse Buwalda zingt hier prachtig en Knut Schoch ook. Gardiner begint stormenderhand en wordt helemaal niet intiem. 


Hierna volgt cantate BWV 108. Maar hieronder volgt nog wat extra informatie over Christiane von Ziegler, uit Wikipedia. 



 

Christiane Mariane von Ziegler (geboren Romanus) (30 juni 1695 te Leipzig - 1 mei 1760 te Frankfurt aan de Oder) was een achttiende-eeuwse tekstdichteres.


Christiane Mariane Romanus werd geboren in een invloedrijke familie in Leipzig. Familieleden van haar waren advocaat, rechter en actief in de politiek. Haar vader, Franz Conrad Romanus, was burgemeester van Leipzig. In 1706 werd haar vader echter gevangengezet op beschuldiging van het verduisteren van geld en het vervalsen van bankwissels. Haar vader zou tot zijn dood veertig jaar later vastzitten, zonder ooit berecht te zijn. Dit beïnvloedde de maatschappelijke positie van de rest van de familie echter niet. 


Op 16-jarige leeftijd, in 1711, huwde Christiane Mariane met Heinrich Levin von Könitz. Deze stierf echter al in 1712, kort na de geboorte van hun dochter Johanna Mariana Henriette von Könitz. In 1715 trouwde Christiane Mariane opnieuw, ditmaal met de kapitein Georg Friedrich von Ziegler. Een jaar later kregen zij een dochter Carolina Augusta Louisa von Ziegler. Georg Friedrich von Ziegler overleed in 1722, en korte tijd later overleden ook Christiane Mariane von Zieglers beide dochters. Tweemaal weduwe en alle kinderen verloren keerde Christiane Mariane von Ziegler op 27-jarige leeftijd terug naar haar ouderlijk huis in Leipzig, het Romanushaus. 


Omdat ze zeer vermogend was, kon ze een onafhankelijk leven leidden en werd ze snel een gerespecteerd lid van de society. In haar woning kwamen intellectuelen en artiesten samen om in ontspannen sfeer te discussiëren over muziek en literatuur. Bezoekers waren onder meer de componist Johann Sebastian Bach en de dichter Johann Christoph Gottsched. Op aanmoediging van Gottsched begon ze zelf ook te schrijven in deze periode. Bach maakte in 1725 een serie van negen cantates op door Von Ziegler geschreven teksten. BWV 68, 74, 87, 103, 108, 128, 175, 176 en 183 voor de tweede cantatejaargang (1724-25) na de plotse dood van zijn vaste librettist emeritus concrector van de Thomasschule te Leipzig, Andreas Stübel, vermoedelijk op 31 januari 1725. Deze teksten werden drie jaar later door Christiane Mariane von Ziegler gepubliceerd in Versuch in gebundener Schreib-Art. Opvallend zijn de afwijkingen tussen de teksten van Bach en de uiteindelijk gepubliceerde teksten: onbekend is of Bach de wijzigingen heeft aangebracht of dat Christiane Mariane von Ziegler zelf de teksten nog heeft aangepast. In 1731 werd ze als eerste en enige vrouw lid van Gottscheds ‘Deutscher Gesellschaft’ in Leipzig. Op 17 oktober 1733 kreeg ze van de universiteit van Wittenberg de ‘Dichterkrone’, een keizerlijk privilege, toegekend. Zes jaar later zou ze voor het laatst publiceren.


In 1741 trouwde ze met hoogleraar Balthasar von Steinwehr en verhuisde met hem naar Frankfurt aan de Oder. In Frankfurt aan de Oder overleed ze in 1760.