andere cantates voor de tiende zondag na Trinitatis

bwv 46 schauet doch und sehet, ob irgendein Schmerz sei

bwv 102 Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben






De tekst van cantate 101 handelt over Jezus' profetie van de verwoesting van Jerusalem en over alle daarmee gepaard gaande verschrikkingen. Als de evangeliën worden geschreven heeft dit alles reeds plaatsgevonden, nl. in het jaar 70. Deze gebeurtenis wordt ook wel opgevat als een metafoor voor het einde der tijden, de dag van het laatste oordeel.

De cantate is gebaseerd op het kerklied Nimm von uns Herr, du treuer Gott die schwere Straf und große Not, in 1584 geschreven door Martin Moller ten tijde van de pestepidemie. Bij de keuze van dit lied gaat het bij Bach niet om die epidemie, ook niet over de verwoesting van de stad Jerusalem of over het laatste oordeel. Dit lied gaat in feite over boete doen, relevant ook bij allerlei andere dreigingen of crisissituaties. Immers, dit zijn gebeurtenissen die niet zo maar bij toeval ontstaan. Ze worden gezien als uitdrukking van de toorn Gods, de toorn die het gevolg is van onze zonde.

 

Cantate 101 wordt maar zelden uitgevoerd. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het ernstige, soms zelfs grimmige karakter van de tekst die de cantate als geheel doortrekt. De overwegend donkere toonsoort (d-klein) draagt daar sterk aan bij. Dat geldt zeker voor het introductiekoor, een grootschalig koraal-arrangement in de stijl van een motet, archaïsch in de precisie en de complexiteit waarmee het geschreven is. De orkestpartij gaat volledig haar eigen weg en levert zowel harmonische als melodische chromatiek en een welhaast excessief gebruik van zuchtende motieven en voorziet de teksten (‘grosse Not’ en ‘Sünden ohne Zahl’) van een welhaast overdreven emotioneel commentaar. John Eliot Gardiner spreekt dan ook over Bach's

"disturbing intensification of harmony and vocal expression for the words 'für Seuchen, Feur und großem Leid' (contagion, fire and grievous pain) at the end of the movement".

De hierna volgende tenor-aria, het enige onderdeel van de cantate waarin het oorspronkelijke koraal niet voorkomt, is vervolgens nogal conventioneel. Des te opvallender zijn dan de daarop volgende delen, elk van hen blijkt een parafrase en een melodische ontwikkeling van de koraalmelodie te zijn. Recitatieve delen worden afgewisseld met letterlijke citaten uit het koraal. In de bas-aria (4) wordt de melodie nu eens aan de zanger, dan weer aan het orkest gegund. En in het duet (6) is het koraal inmiddels verder geëvolueerd en het wordt daar gecombineerd met een concertante bewerking voor de houtblazers, dat gebeurt op onnavolgbare wijze. Hoorden we de bas nog vergezeld gaan van een toornige God die zijn vlammen (rittornello van de hobo’s) naar de aarde zendt, bij het duet is de stemming geheel anders geworden. Steeds opnieuw schijnt hier de cantus firmus door dat weefsel van de instrumentale dialoog (fluit en hobo) maar ook in de zangstemmen is ze te horen. Het pastorale karakter van dit deel verheft aardse gebeurtenissen en treurzangen tot een geloof in de idylle van een hemels Arcadia. 


Persoonlijk vind ik dat die idylle lang niet altijd wordt bereikt, zeker niet op de cd-opnames die ik ken; niet bij Harnoncourt, niet bij Rilling, zeker niet bij Leusink. De Harnoncourt-versie lijkt opgenomen te zijn in een bedompte kelderruimte, en dat ook nog in aanwezigheid van Philippe Huttenlocher. Ai!

Maarten 't Hart spreekt over een schrijnend, grimmig, weerbarstig koor. Noemt het niet, zoals Vestdijk, zeer verheven polyfonie, nee, hij vindt het eerder aards, zwaar en somber, maar buitengewoon indrukwekkend. Door Whittaker is hij attent gemaakt op dat mooie duet uit deze cantate. Maar een hemels Arcadia?










ga verder naar cantate 113 >>   de cantates de cantates de cantates de cantates