andere cantates voor de tiende zondag na Trinitatis

bwv 46 schauet doch und sehet, ob irgendein Schmerz sei

bwv 102 Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben



De tekst van cantate 101 handelt over de profetie van de verwoesting van Jerusalem en alle daarmee gepaard gaande verschrikkingen. Zoals vaak het geval is bij dit soort zeer sombere thema’s leidt de toonzetting van zo’n gegeven bij Bach tot een buitengewone rijkdom aan emoties en verbeeldingskracht. Daarnaast is ook nu weer de vorm erg vrij en voor die tijd gedurft, niet zozeer in de totale vormgeving van het stuk maar meer in de details. 


Het introductiekoor is een grootschalig koraal-arrangement in de stijl van een motet, archaïsch in de precisie en de complexiteit waarmee het geschreven is. De orkestpartij gaat volledig haar eigen weg en levert zowel harmonische als melodische chromatiek en een welhaast excessief gebruik van zuchtende motieven en voorziet de teksten (‘grosse Not’ en ‘Sünden ohne Zahl’) van een welhaast overdreven emotioneel commentaar. 


De hierna volgende tenor aria, het enige onderdeel van de cantate waarin het oorspronkelijke koraal niet voorkomt, is vervolgens nogal conventioneel. Des te opvallender zijn dan de hierna volgende delen, elk van hen blijkt een parafrase en een melodische ontwikkeling van de koraalmelodie te zijn. Recitatieve delen worden afgewisseld met letterlijke citaten uit het koraal. In de bas-aria (4) wordt de melodie soms aan de zanger, dan weer aan het orkest gegund. En in het duet (6) is het koraal inmiddels verder geëvolueerd en het wordt daar gecombineerd met een concertante bewerking voor de houtbazers, dat gebeurt op onnavolgbare wijze. Horen we de bas nog vergezeld gaan van een toornige God die zijn vlammen (ritornello van de hobo’s) naar de aarde zendt, bij het duet is de stemming werkelijk geheel anders. Steeds opnieuw schijnt daar de cantus firmus door dat weefsel van de instrumentale dialoog (fluit en hobo) maar ook in de zangstemmen is ze te horen. Het pastorale karakter van dit deel verheft aardse gebeurtenissen en treurzangen tot een geloof in de idylle van een hemels Arcadia. 


Helaas wordt die idylle niet altijd bereikt, althans niet in de cd-opnames die ik ken; niet bij Harnoncourt, niet bij Rilling, zeker niet bij Leusink. Het openingskoor is hevig in mineur, met wat amateurtoneel-achtige uitroepen ertussendoor, althans bij Harnoncourt is dat zo. Maarten 't Hart spreekt over een schrijnend, grimmig, weerbarstig koor. Noemt het niet, zoals Vestdijk, zeer verheven polyfonie, nee, eerder aards, zwaar en somber, maar buitengewoon indrukwekkend. Door Whittaker is hij attent gemaakt op het mooie duet uit deze cantate. Maar een hemels Arcadia?








ga verder naar cantate 113 >>   de cantates de cantates de cantates de cantates