Hoewel met opeenvolgende BWV nummers; tussen Bach's eerste en zijn derde bewerking van de hymne ‘Was Gott tut, das ist wohlgetan’ ligt minstens een decennium, en de verschilpunten zijn minstens zo intrigerend als de overeenkomsten. Er wordt veel toegevoegd, qua instrumentatie zijn daar bijvoorbeeld twee corni da caccia (hoorns) en timpani die de strijkers met fluit en oboe d'amore uit BWV 99 komen versterken. Maar er verdwijnt ook het een en ander.  In die eerdere versie gaf Bach nog een aria aan de tenor die de bittere smaak van de 'Kreuzeskelch’ beschrijft. Maar ook was daar een kwintet voor sopraan en alt, een verbeelding van de zware gang naar Golgotha. Dat alles bedoeld als een heilzaam stukje muzikale prediking, een bittere pil temidden van die nogal opgeruimde vermaningen van openingskoor en slotkoraal.

En toch; dit alles ontbreekt in deze derde versie (BWV 100). Bach zet in deze cantate de gedachten van het openingskoraal ongewijzigd voort in alle verzen, zes in getal, waarbij hij er voor waakt zichzelf muzikaal gezien te herhalen.

Waarom het nu zo anders doen? Zou het kunnen zijn dat Bach reageert op kritiek ('Waarom maak je je cantates zo ingewikkeld? Kun je niet te beperken tot één theologisch thema?') of stelt hij zichzelf juist een nieuwe uitdaging door een maximum aan variaties aan te brengen binnen dit strakke format waarbij dit keer geen ruimte is voor een recitatief.

Het eerste en laatste deel zijn grootschalige koraalzettingen (geleend uit eerdere cantates) met concertante orkest. De opening met die schitterende ‘opponerende’ melodie is geleend uit BWV 99, het slot komt uit BWV 75. Beide delen zijn zoals gezegd nog wat uitbundiger getoonzet dan de originele versies maar het zijn de drie aria’s met hun zeer sensitieve gevoelslading en rijkdom aan details die ons een uiterst moderne Bach tonen. 

Het duet (2) roept het Italiaanse kamerduet in herinnering met name dankzij het imiterend dooreenweven van de vocale partijen. Veeleisend is het zeker, gigantische longen en een strenge controle van de coloratuur zijn vereist, anders lukt dit echt niet. Het duet wordt gevolgd door het siciliano (eigenlijk is het meer de suggestie van een siciliano) voor de sopraan met een extreem moeilijke fluitpartij, series van vierentwintig opeenvolgende tweeëndertigsten per maat. Dan volgt een montere bas-aria (4) met volledige strijkersbezetting waarbij parallelle derden en zesden in de violen een element van galanterie introduceren, en tenslotte een weelderige aria voor de alt in een zangerige, gevoelvolle stijl met daarbij een hobo d'amore. 




 

 

 

 

 


Ook aan de overzijde van de grote plas wordt Bach gehoord. En niet alleen Bach, ook onze Gustav Leonhardt. Zie deze discussie op de Bach Cantatas Website;

 

Eitan Loew:

I guess that this mail might be considered pre-mature, since this cantata is not yet on the "order of discussion" list. Maybe because it is not an important cantata.

Anyway, I have purchased the disc recently (Cantatas BWV 100 - 102, Bach 2000 edition vol. 31). It is an ADD recording by Gustav Leonhardt, apparently from 1980. When listening to it, I was stunned how bad the brass instruments play the finishing Choral (track #6). It is very annoying. 

Can anybody explain how is it possible that this can happen? I don't think that it is a live recording, why didn't they take another one?


Aryeh Oron:

The playing in the joint cycle of Harnoncourt & Leonhardt varies greatly. You have to remember that most of the cycle was recorded in the era where the HIP movements was in its early stages. Re-creating old instruments and playing techniques have not gained enough experience. The results were inconsistent playing, which was sometimes far from being satisfactory. In certain cases I find that the playing in the H&L cycle preserves the ancient colours and atmosphere better than any other rendition. In other cases the playing is so unclean, up to being painful. Usually the level of playing in the other HIP-cycles (Koopman, Suzuki, and even Leusink) is better than in H&L’s cycle. Nevertheless, you have to remember that the level of inspiration is not necessarily connected to the level of playing, although when the technique of the performer is better, more options for interpretation are open to him (or her), and he (or she) can convey his own thoughts more easily. 

Regarding the playing in Leonhardt's recording of Cantata BWV 100, following your query, I listened to this recording. I concur with you regarding the level of playing of the brass in the concluding chorale (and also in the opening chorus). Why did they not make another take? Why did not other performers of Bach Cantatas re-record movements that were played badly or simply uninspired? I guess that limitation of time and budget and unavailability of good performers at the time of the recording were the main factors. After all, limitation of budget caused the discontinuation of Koopman’s cycle (temporarily, many of us hope). I feel that as Bach lovers, living in our time, we can see ourselves lucky, because in previous generations, let’s say 50 years ago, most of the cantatas were not available at all in recorded form!

 

Het moge duidelijk zijn want dat was mij ook wel opgevallen; zeer, zeer valse hoorns bij Leonhardt. We moeten deze keer bij Rilling zijn, dat is duidelijk. Of anders bij Gardiner. Of Leusink of you name it.

Bronnen; John Eliot Gardiner en Bach Cantatas Website






 de cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates de cantates nu 97